Plan Lehner

De interlokale lijn naar Delft met het tijdelijke lijnummer 37, voordat deze het huidige lijnnummer 1 kreeg.

Het Plan-Lehner is de uitvoering van een plan voor het openbaarvervoernet van de Haagse Tramweg Maatschappij (HTM), dat is opgesteld door de Duitse verkeerskundige Friedrich Lehner in 1964. Zijn opdracht behelsde het geven van adviezen over het Haagse openbaar vervoer en het nemen van rationaliserings- en saneringsmaatregelen. Het plan is in de jaren 1965 en 1966 in drie fases voor bijna 100% uitgevoerd.

Voorgeschiedenis

Friedrich Lehner (17 december 1900 – 3 maart 1979) was een Duits ingenieur en verkeerskundige die in 1938 de leiding kreeg van het vervoersbedrijf in Leipzig en na de Tweede Wereldoorlog van Keulen. In 1954 werd hij directeur van het vervoerbedrijf in Hannover (ÜSTRA). Daar werden onder zijn directeurschap de meeste interlokale tramlijnen opgeheven en de eerste plannen gemaakt om in Hannover een U-Bahn te bouwen. Hij werkte ook veel als adviseur van Duitse en Nederlandse vervoersbedrijven.

In 1963 gaf de gemeente Den Haag, als eigenaar van de HTM, een andere Duitse verkeerskundige, Prof. Dr. Ir. K. Leibrand, de opdracht een advies te geven over de toekomstige grote vervoersstromen in de stad, met inbegrip van de toekomst van de tramexploitatie in de stad, en een buslijnennet te ontwerpen. Leibrand moest de opdracht echter teruggeven, omdat hij door zijn oorlogsverleden in opspraak was geraakt. De gemeente wendde zich vervolgens tot Lehner, ook een Duitser, maar met een onbelast oorlogsverleden. Hij stelde als eerste dat de tram de toekomstige ruggengraat van het openbaar vervoer diende te zijn en dat de bus een toevoerfunctie had voor de tramlijnen.

Lehners concept stelde in principe de toekomst van de Haagse tram veilig. Hij stelde dat de tram de ruggengraat van het lijnennet moest worden en zou moeten worden uitgebreid naar de satellietstad Zoetermeer, de naoorlogse uitbreidingswijken (Vrederust, Berestein en Loosduinen) en de randgemeenten Rijswijk en Leidschendam. Deze visie baseerde hij op de bevolkingsprognose van de regio (zij zou een piek van 1.000.000 inwoners gaan bereiken). De negatieve milieueffecten van bussen in de stad en de grotere capaciteit van trammaterieel speelden een grote rol, en daarmee het effectiever en efficiënter zijn in de hoeveelheid te vervoeren reizigers per eenheid. Op langere termijn stelde hij voor enkele zeer zware assen geschikt te maken voor semi-metro.

Tevens adviseerde hij standaardisatie van het busmaterieel voor de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Een advies dat gelijk liep met de Nederlandse Commissie Standaardisering Autobusmaterieel, die reeds in 1961 ingesteld was. Ook zag Lehner de PCC-car als het ideale tramtype voor Den Haag: snel, betaalbaar door de eenmansexploitatie, met voldoende capaciteit en bij drukte koppelbaar in treinschakeling tot drie eenheden. Hij was een voorstander van vrije banen voor bus én tram en voorrang bij verkeerslichten. Ondertunneling op drukke trajecten was een ander stokpaardje van hem. Zo adviseerde ook hij onder de Grote Marktstraat en het Spui tramtunnels aan te leggen, een visie die voor een deel 40 jaar later werd uitgevoerd.

Snijden en uitbreiden lijnennet

Kaart van de tram- (zwart) en buslijnen (roze) voor de start van de eerste fase van Plan Lehner
Dezelfde kaart, ná de uitvoering van de 3 fases van het plan. Gestreept zijn spitsuurbuslijnen. Tram zwart; bus groen.

Al voordat Lehner aan de slag ging, uitte hij kritiek op de tramlijnen 2 en 5, naar zijn idee zwakke tramlijnen met slechts vervoerswaarde in de spitsuren die gemakkelijk en goedkoper met bussen konden worden uitgevoerd. Daarbij speelde een rol dat deze tramlijnen reden met oud materieel met conducteurs. Het geld ontbrak ook hiervoor PCC-cars met eenmansbediening te kopen. Bovendien waren de PCC-cars eenrichtingsvoertuigen die bij het eindpunt een keerlus of -driehoek nodig hadden. De lijnen 2 en 5 werden op 8 december 1963 in één buslijn omgezet. De HTM had dit overigens al besloten in 1954, 10 jaar voordat Lehner zijn adviezen gaf. Door een tekort aan buschauffeurs was het besluit niet eerder uitgevoerd.

In de vroege jaren zestig waren onderhandelingen geopend om tramlijn I¹, de Gele Tram naar Delft, om te zetten in een autobuslijn van de WSM. Dit werd echter niet doorgezet op advies van Lehner, die de opheffing van tramlijn I² naar Wassenaar en Leiden een grote vergissing noemde. In plaats daarvan werd besloten de Delftse lijn te moderniseren. In januari 1965 werd lijn I¹ omgeschakeld van 1200 op 600 volt gelijkspanning en vernummerd tot lijn 37. De lijn kreeg PCC-cars, waarmee de exploitatie goedkoper en sneller werd. Deze maatregel betekende de redding van deze oudste interlokale tramlijn van de Benelux.

Lehner adviseerde ook tramlijn 11, die enige stadslijn die nog met het klassieke materieel reed, zo snel mogelijk geheel met PCC-cars met eenmansbediening te gaan exploiteren. Hiermee zou de gemiddelde snelheid van de dienstuitvoering kunnen worden verhoogd en de exploitatie goedkoper worden.

Voor toekomstige reizigersgroei stelde hij voor een tramlijn aan te leggen over de Meppelweg (6, gerealiseerd), Hengelolaan (20/25, niet gerealiseerd) Melis Stokelaan (5, gerealiseerd als 9) en naar Leidschendam (6, gerealiseerd)

Uitvoering

Vanaf 1965 werd het Plan-Lehner in 3 fases uitgevoerd. Vele buslijnen worden samengevoegd en dubbelingen met tramlijnen worden opgeheven.

1ste fase (31 oktober 1965)

2de fase (21 mei 1966)

3de fase (29/30 oktober 1966)

Teruggedraaide adviezen

Niet uitgevoerde adviezen

Lehners andere opdrachten in Nederland

Trivia

Bronnen