Pridi Banomyong (Thai: ปรีดี พนมยงค์) Ayutthaya, (11 mei 1900 - Parijs, 2 mei 1983) was een Thaise politicus en jurist. Hij beheerste de Thaise politiek tussen 1932 en 1947.
Pridi studeerde rechten in Bangkok, ging naar Parijs en keerde in 1924 terug met graden in de rechten en de politieke economie. Hij richtte met een vijftigtal Thaise studenten in Parijs Khana Raadsadorn op, een volkspartij die zich ten doel stelde de absolute monarchie te vervangen door een constitutionele monarchie. Na zijn terugkeer in 1927 werd hij ambtenaar en klom hij op in het bestuursapparaat.
Op 24 juni 1932 pleegde de leiding van Khana Raadsadorn, samen met legerofficieren en derden een staatsgreep, waarbij de aanwezige leden van de koninklijke familie werden gegijzeld. De koning kwam vanuit zijn buitenverblijf naar de hoofdstad en ondertekende op 26 juni een grondwet, die door Pridi was opgesteld. Hij had tevoren de grondwetten van westerse monarchieën bestudeerd. In 1933 stelde hij een economisch plan op met elementen als nationalisatie van de productiemiddelen en landhervorming, waarop koning Prajadhipok hem beschuldigde van communisme. In 1934 stichtte hij als minister van binnenlandse zaken de Thammasat Universiteit, waarvan hij rector magnificus werd.
De vorst ging in 1934 in ballingschap en werd opgevolgd door de minderjarige Ananda Mahidol. In de daaropvolgende periode vervulde Pridi verschillende ministersposten, zoals binnenlandse en buitenlandse zaken. Hij stelde een gemeentewet op, waardoor er gekozen gemeenteraden werden ingevoerd. Ook voerde hij belastinghervormingen door, richtte hij een nationale bank op en ijverde hij voor herziening van onrechtvaardige internationale verdragen uit het verleden. Toen de Japanners in 1942 Thailand bezetten, was Pridi regent voor koning Mahidol. Hij richtte de ondergrondse verzetsbeweging Seri Thai op en weigerde de oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk mede te ondertekenen.
Tussen 24 maart en 23 augustus 1946 leidde hij drie kabinetten. Hij stelde alles in het werk om Thailand, na de collaboratie met de Japanners, opgenomen te krijgen in de naoorlogse gemeenschap der volken en kreeg daarbij steun van de Amerikaanse president Truman. Hij wees het kolonialisme af en knoopte betrekkingen aan met de Vietminh in Vietnam.
Tijdens zijn regering werd op 9 juni 1946 de jonge koning Ananda Mahidol dood aangetroffen in zijn slaapkamer. Pridi riep daarop de jongere broer van Ananda, Phumibol, uit tot koning Rhama IX.
Op 8 november 1947 greep het leger de macht in Thailand, om die de volgende 45 jaar niet meer af te staan. Pridi vluchtte naar Singapore en vestigde zich later in China en in Parijs. Het militaire bewind beschuldigde hem van betrokkenheid bij de dood van koning Mahidol en stond tot aan zijn dood zijn terugkeer in de weg. In ballingschap bleef Pridi ijveren voor vrijheid en democratie. Hij stierf in zijn Parijse studeerkamer aan een hartverlamming, terwijl hij werkte aan een artikel. Zijn weduwe Thanphuying Phoonsak keerde pas vijf jaar na zijn overlijden terug in Thailand. Het 100-jarige jubileum van zijn geboorte werd in 2000 door UNESCO gevierd.