Prinsbisdom Freising
Wapen van het bisdom Freising
Het prinsbisdom Freising was een tot de Beierse Kreits behorend sticht binnen het Heilige Roomse Rijk . De stad Freising in Beieren is nog steeds een zetel van het aartsbisdom München en Freising . Het prinsbisdom had rond 1800 een oppervlakte van 825 km².
Omstreeks 738/9 werd het bisdom gesticht door Bonifatius . Aanvankelijk behoorde het bisdom tot de kerkprovincie Mainz, na 798 tot de kerkprovincie Salzburg. In 1217 werd de bisschop met de Ilsgouw beleend. Vervolgens wist het bisdom in 1220 ten koste van het hertogdom Beieren rijksvrij te worden voor de volgende gebieden: Freising, de graafschappen Ismaning (circa 1294) en Werdenfels en de heerlijkheid Burgrain.
In 1249 werd de heerlijkheid Garmisch verworven en in 1254 het bezit van de graven van Hörnstein. Na het verwerven van Partenkirchen in 1294 wordt de heerlijkheid Werdenfels gevormd.
De bisschop bezat sinds 996 ook het stadje Neuhofen in Neder-Oostenrijk .
Paragraaf 2 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 kent het bisdom Freising toe aan het keurvorstendom Beieren . Beieren had het bisdom reeds op 23 augustus 1802 ingelijfd.
Regenten
724- 730: Korbinian (St)
730- 749: Erimbert
749- 764: Joseph
764- 784: Aribo
784- 810: Hatto
810- 834: Hitto
835- 854: Erchanbert/Erchembert
854- 875: Arno
875- 883: Arnulf
883- 905: Waldo
905- 905: Uto
905- 925: Drachulf
925- 937: Wolfram
937- 956: Lambert/St.Lantpert
956- 993: Abraham
993-1006: Gottschalk
1006-1039: Egilbert van Moosburg
1039-1052: Nitker/Nitgar/Nizo
1052-1078: Ellenhard
1078-1098: Meginward
1098-1137: Hendrik I van Peilstein-Burghausen
1138-1138: Matthaeus
1138-1158: Otto I van Babenberg (Oostenrijk)
1158-1184: Albert I van Harthausen (=Adalbert van Sigmaringen)
1184-1220: Otto II van Berg
1220-1230: Gerold van Reichersdorf
1230-1258: Koenraad I van Tölz en Hohenburg
1258-1279: Koenraad II, Wildgraaf (tegenbisschop)
1279-1282: Fredrik van Montalban
1279-1311: Emich, Wildgraaf (tegenbisschop))
1311-1314: Godfried van Greiffenberg
1314-1322: Koenraad III van Sendlingen
1323-1324: Johan I van Güttingen (1306-1321: bisschop van Brixen; 1322-1324: bisschop van Bamberg)
1324-1340: Koenraad IV van Klingenberg
1340-1349: Johan II Greyse van Zesterfleth (1332-1340: bisschop van Verden)
1349-1359: Albert II van Hohenberg (1345-1349: bisschop van Würzburg)
1359-1377: Paul van Harrach
1377-1381: Leopold van Sturmberg
1381-1410: Berthold van Faimingen
1411-1412: Koenraad V van Hebenstreit
1412-1421: Herman van Cilly (1421: bisschop van Trente)
1421-1443: Nikodemus della Scala
1443-1448: Hendrik II Schlick
1448-1452: Johan III Grünwalder
1453-1473: Johan IV Tulbeck
1473-1495: Sixtus van Tannberg
1495-1498: Ruprecht van de Palts
1498-1541: Philips van de Palts
1541-1551: Hendrik III van de Palts
1552-1565: Maurits van Sandizell
1566-1612: Ernst van Beieren
1612-1618: Stefan van Seyboldsdorf
1618-1651: Veit Adam van Geebeck
1652-1685: Albert Sigismund van Beieren
1685-1694: Josef Clemens van Beieren
1695-1727: Johan Frans Ecker van Käapfing-Lichtenegg
1727-1763: Johan Theodoor van Beieren
1763-1768: Clemens Wenzeslaus van Saksen
1769-1788: Lodewijk Josef van Welden
1787-1789: Maximiliaan Procop van Törring (bisschop van Regensburg)
1790-1803: Josef Koenraad van Schroffenberg (proost van Berchtesgaden; bisschop van Regensburg)
Bronnen, noten en/of referenties
↑ Peter H. Wilson (2004): From Reich to Revolution , Palgrave Macmillan, Basingstoke, blz. 364.