Protocetus

Protocetus
Status: Uitgestorven
Fossiel voorkomen: Midden-Eoceen
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Mammalia (Zoogdieren)
Onderklasse:Theria
Infraklasse:Eutheria (Placentadieren)
Orde:Artiodactyla
Infraorde:Cetacea
Familie:Protocetidae
Geslacht
Protocetus
Fraas, 1904
Typesoort
Protocetus atavus † Fraas 1904
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Protocetus op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

Protocetus is een geslacht van uitgestorven aquatische zoogdieren, dat voorkwam in het Midden-Eoceen.

Naamgeving

Eberhard Fraas benoemde in 1904 de typesoort Protocetus atavus. De geslachtsnaam betekent "eerste walvis". De soortaanduiding betekent "voorouder".

Het holotype is SMNS-P-11084, een schedel met wervels en ribben door Fraas zelf gevonden in de kalksteengroeve bij de Gebel Mokattam nabij Caïro. Het was ruim tachtig jaar het oudste postcraniaal skelet dat van een walvis bekend was en genereerde veel belangstelling.

Beschrijving

Dit tweehonderdvijftig centimeter lange dier had een gestroomlijnd lichaam, dat al veel kenmerken van een walvis vertoonde. De voorpoten hadden de vorm van peddels, terwijl de achterpoten sterk gereduceerd waren. Aan de achterkant van het lichaam bevond zich een horizontaal geplaatste staart met vinnen, die met een op- en neergaande beweging zorgde voor de voortbeweging. De kop was langwerpig met een smalle snuit. De kaken waren aan de voorkant bezet met scherpe tanden, waarmee prooien werden vastgepakt, terwijl de achterste tanden werden gebruikt om de gevangen prooi te versnijden. De neusgaten lagen halverwege de snuit. Het reukorgaan was goed ontwikkeld, maar speelde geen rol bij de jacht. Met de grote ogen kon het dier goed zien, maar het belangrijkste waren de verfijnde oren, die waren aangepast voor het registreren van geluiden onder water. Dit was echter niet te vergelijken met het echolocatiesysteem van de huidige walvissen.

Fylogenie

In 1908 gaf Romer het een eigen Protocetidae.

Levenswijze

Het voedsel van dit dier bestond hoofdzakelijk uit vis, die in ondiepe kustwateren werd gevangen. Het dier leefde in zee maar moest vermoedelijk nog aan land komen om te baren. Het heiligbeen was nog verbonden aan het bekken zodat de achterpoten het lichaamsgewicht konden dragen.

Vondsten

Resten van dit dier werden gevonden in Afrika en Azië, in het Middellandse Zeegebied.