Providas Romanorum (incipit: Providas Romanorum Pontificum) is een pauselijke bul van paus Benedictus XIV, uitgevaardigd te Rome op 18 maart 1751. Het document bevestigde en vernieuwde de door paus Clemens XII in In eminenti apostolatus specula van 28 april 1738 uitgesproken veroordeling van vrijmetselaarsloges. Benedictus XIV handhaafde daarmee het verbod voor katholieken om zich bij zulke genootschappen aan te sluiten, ze te bevorderen of eraan deel te nemen, evenals de in In eminenti vastgelegde excommunicatie die zonder afzonderlijke rechterlijke uitspraak werd opgelopen.
De bul behoort, na In eminenti, tot de vroegste pauselijke maatregelen tegen de georganiseerde vrijmetselarij. In de geschiedschrijving worden bij de totstandkoming zowel confessioneel-religieuze als politiek-juridische motieven onderscheiden.
De institutionele vrijmetselarij breidde zich in de eerste helft van de achttiende eeuw vanuit de Britse eilanden over het Europese continent uit. Nog voordat Rome formeel optrad, hadden verschillende wereldlijke overheden maatregelen genomen tegen besloten genootschappen en loges. Daarbij speelden onder meer de geheimhouding van bijeenkomsten, het afleggen van eden en de vrees voor particuliere organisaties die zich aan het toezicht van de overheid konden onttrekken een rol.
Clemens XII reageerde in 1738 met In eminenti apostolatus specula. In deze bul werden de bijeenkomsten die bekendstonden als die van Liberi Muratori of Francs Maçons veroordeeld. Als redenen werden onder meer genoemd dat personen van verschillende religies zich binnen dezelfde genootschappen verenigden, dat de bijeenkomsten door strikte geheimhouding werden omgeven en dat leden door een eed aan die geheimhouding waren gebonden. Clemens XII verbood katholieken zulke verenigingen binnen te gaan, te bevorderen, te ontvangen of anderszins te ondersteunen, op straffe van excommunicatie.
In Providas Romanorum vermeldde Benedictus XIV dat er mensen waren die beweerden dat de sanctie van Clemens XII niet langer van kracht was, omdat een pauselijke constitutie van een voorganger volgens hen door diens opvolger uitdrukkelijk moest worden bevestigd. Benedictus XIV verwierp die redenering. Hij wees er onder meer op dat hij tijdens zijn pontificaat reeds absolutie had laten verlenen aan personen die de sanctie hadden opgelopen, bijzondere bevoegdheden aan penitentiarii had verleend en tegen overtreders had laten optreden.
Om volgens de tekst iedere twijfel weg te nemen, bevestigde, bekrachtigde en vernieuwde Benedictus XIV vervolgens In eminenti uitdrukkelijk en „woord voor woord”, met de bedoeling dat de bepalingen ervan hun rechtskracht zouden behouden.
Na de bevestiging van In eminenti formuleerde Benedictus XIV zes overwegingen ter ondersteuning van het verbod.
De bul beperkte zich niet tot een verbod op lidmaatschap. Kerkelijke gezagsdragers werden aangespoord overtredingen te onderzoeken en zo nodig de hulp van de wereldlijke overheid in te roepen. Benedictus XIV deed tevens een beroep op katholieke vorsten en wereldlijke machthebbers om de kerkelijke maatregelen te ondersteunen. In dat verband verwees hij naar de rol van vorsten als beschermers van Kerk en geloof en naar bepalingen van het Concilie van Trente.
De Poolse historicus Fryderyk Kwiatkowski onderscheidt in de achttiende-eeuwse pauselijke veroordelingen zowel doctrinaire als politieke motieven. De toelating van mannen met uiteenlopende religieuze overtuigingen kon volgens deze lezing vanuit rooms-katholiek perspectief als religieus indifferentisme worden geïnterpreteerd. De geheimhouding, eden en autonome organisatie van loges riepen daarnaast vragen op over hun verhouding tot kerkelijke en wereldlijke autoriteiten.
Kwiatkowski beschouwt het beroep op het Romeinse verenigingsrecht als een belangrijk nieuw element van Providas Romanorum ten opzichte van In eminenti. Benedictus XIV verwees naar het verbod op bepaalde particuliere verenigingen zonder toestemming van het openbaar gezag. Volgens Kwiatkowski versterkte dit de politiek-juridische argumentatie tegen de loges en kon het de samenwerking met wereldlijke overheden bij de bestrijding ervan ondersteunen.
Ook historicus Róbert Péter plaatst de twee pauselijke maatregelen tegen de achtergrond van eerdere wereldlijke verboden. Hij wijst erop dat regeringen in de jaren 1730 al bezwaren hadden geuit tegen geheime eden, besloten bijeenkomsten en organisaties die buiten rechtstreeks overheidstoezicht functioneerden. Volgens Péter nam de Heilige Stoel een deel van die bezwaren over, terwijl Providas Romanorum daar uitdrukkelijk een argument uit het Romeinse recht aan toevoegde.
Het document bevat geen systematische uiteenzetting van bijvoorbeeld thomistische ontologie, kennisleer of natuurrechtsfilosofie. De expliciete religieuze argumentatie is hoofdzakelijk gericht op de bescherming van het katholieke geloof en de kerkelijke discipline, terwijl een aanzienlijk deel van de redenering juridisch en politiek van aard is. In de secundaire literatuur wordt Providas Romanorum daarom voornamelijk bestudeerd in het kader van de achttiende-eeuwse verhouding tussen Kerk, staat, godsdienstige orthodoxie en particuliere genootschappen.
De praktische werking van pauselijke veroordelingen van de vrijmetselarij verschilde per gebied en hing mede af van de verhouding tussen kerkelijk en wereldlijk gezag. Kwiatkowski wijst erop dat de mogelijkheden om tegen loges op te treden buiten gebieden waar Rome of inquisitoriale instellingen over effectieve uitvoeringsmiddelen beschikten beperkt konden zijn.
Péter beschrijft bijvoorbeeld dat de pauselijke bullen in het protestants bestuurde Ierland aanvankelijk niet officieel werden afgekondigd. Tegen het einde van de achttiende eeuw werden pauselijke maatregelen tegen de vrijmetselarij daar door rooms-katholieke bisdommen nadrukkelijker bekendgemaakt, waarna het aandeel katholieken in Ierse loges volgens hem afnam.
Latere pausen plaatsten Providas Romanorum in een bredere traditie van kerkelijke veroordelingen van de vrijmetselarij. Paus Leo XIII verwees in de encycliek Humanum genus van 20 april 1884 expliciet naar de veroordeling door Clemens XII en stelde dat deze door Benedictus XIV was bevestigd en vernieuwd.
In 1983 verklaarde de Congregatie voor de Geloofsleer, naar aanleiding van de invoering van het nieuwe Wetboek van Canoniek Recht, dat het negatieve oordeel van de Rooms-Katholieke Kerk over vrijmetselaarsverenigingen ongewijzigd bleef en dat katholieken geen lid van dergelijke verenigingen mochten worden. Deze latere verklaring heeft een andere canoniekrechtelijke context dan de sanctiebepalingen van de achttiende-eeuwse bul.