Humanum Genus

Deel van de serie over
documenten van de
Heilige Stoel

Constituties, encyclieken,
exhortaties en instructies

Wapen van de Heilige Stoel
op gezag van
de Heilige Stoel
Constituties

Sacrosanctum Concilium
Gaudium et Spes
Lumen Gentium

Encyclieken

Pius IX
Leo XIII
Pius X
Benedictus XV
Pius XI
Pius XII
Johannes XXIII
Paulus VI
Johannes Paulus II
Benedictus XVI
Franciscus

Instructies

Inter Oecumenici
Liturgiam Authenticam
Redemptionis Sacramentum

Humanum genus (Latijn voor ‘het menselijk geslacht’) is een encycliek van paus Leo XIII, gedateerd op 20 april 1884 en gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen die in gemeenschap stonden met de Heilige Stoel. De encycliek handelt over de verhouding tussen de Katholieke Kerk en de vrijmetselarij en plaatst die verhouding in een bredere kritiek op het negentiende-eeuwse naturalisme, religieuze onverschilligheid, secularisering en bepaalde opvattingen over staat, onderwijs, huwelijk en moraal.

Leo XIII presenteert de vrijmetselarij in de encycliek als een belangrijke drager van denkbeelden die volgens hem onverenigbaar zijn met het christelijk geloof en met een op de natuurwet gebaseerde katholieke maatschappelijke orde. Hij bevestigt daarbij eerdere pauselijke veroordelingen van maçonnieke organisaties. Historisch onderzoek beschouwt Humanum genus als een belangrijke tekst binnen het negentiende-eeuwse katholieke antimasonisme en de omvangrijke antimasonieke publicistiek die in de jaren na 1884 ontstond.

De encycliek spreekt veelal in algemene termen over “de vrijmetselarij”. Historici benadrukken echter dat de vrijmetselarij in de negentiende eeuw geen uniforme internationale organisatie vormde. Verschillende obediences en maçonnieke tradities namen uiteenlopende religieuze en politieke posities in, onder meer ten aanzien van geloof in God, secularisme en antiklerikalisme.

Historische achtergrond

De katholieke veroordeling van de vrijmetselarij begon niet met Humanum genus. Leo XIII verwijst zelf naar een reeks eerdere pauselijke documenten, beginnend met de constitutie In eminenti van Clemens XII uit 1738. Ook Benedictus XIV, Pius VII, Leo XII, Pius VIII, Gregorius XVI en Pius IX hadden zich tegen geheime genootschappen of de vrijmetselarij uitgesproken. Leo XIII plaatste zijn eigen encycliek nadrukkelijk in deze traditie.

De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van sterke spanningen tussen de Katholieke Kerk en verschillende liberale en seculariserende stromingen in het negentiende-eeuwse Europa. De Romeinse kwestie, ontstaan na de inlijving van Rome bij het Koninkrijk Italië in 1870 en het verlies van de Kerkelijke Staat, speelde een belangrijke rol in de politieke context van Leo's pontificaat. Tegelijkertijd waren in verschillende Europese landen conflicten ontstaan over onder meer kerkelijk onderwijs, burgerlijk huwelijk, kerkelijke privileges en de verhouding tussen kerk en staat. In katholieke kringen werden vrijmetselarij, liberalisme, secularisme en antiklerikalisme daarbij geregeld met elkaar in verband gebracht.

Tegelijk bestonden aanzienlijke verschillen tussen maçonnieke organisaties. In de loop van de negentiende eeuw waren vooral de zogenoemde Angelsaksische en Latijns-continentale tradities uit elkaar gegroeid. Zo schrapte het Grand Orient de France in 1877 de verplichting om het bestaan van God en de onsterfelijkheid van de ziel te erkennen, terwijl dergelijke religieuze voorwaarden bij verschillende Angelsaksische obediënties gehandhaafd bleven. Het algemene beeld van de vrijmetselarij in Humanum genus weerspiegelt daarom niet zonder meer de volledige institutionele en ideologische verscheidenheid van de negentiende-eeuwse vrijmetselarij.

Adressering en opbouw

Humanum genus is als encycliek in de eerste plaats gericht aan de katholieke hiërarchie. De officiële tekst telt 38 genummerde paragrafen. Het betoog kan globaal worden verdeeld in een theologische opening, een beschrijving en veroordeling van aan de vrijmetselarij toegeschreven beginselen, een uiteenzetting van een katholiek alternatief en ten slotte een aantal pastorale en maatschappelijke tegenmaatregelen.

De titel is ontleend aan de eerste woorden van de Latijnse tekst, Humanum genus. De opening formuleert onmiddellijk het theologische raamwerk van het document: de menselijke geschiedenis wordt voorgesteld als een strijd tussen twee tegenover elkaar staande geestelijke “rijken”. Leo XIII verwijst daarbij uitdrukkelijk naar Augustinus van Hippo en diens De civitate Dei.

Inhoud

De twee steden

Leo XIII begint met de augustiniaanse tegenstelling tussen de civitas Dei, de stad of het rijk van God, en de aardse stad die voortkomt uit een van God afgewende eigenliefde. Hij past dit schema vervolgens toe op zijn eigen tijd. Volgens de encycliek worden de tegenstanders van de Kerk in de negentiende eeuw in belangrijke mate “geleid of geholpen” door de vrijmetselarij.

Dit is zowel een theologische als een polemische voorstelling. De strijd met de vrijmetselarij wordt niet uitsluitend voorgesteld als een institutioneel conflict tussen de Kerk en bepaalde genootschappen, maar als onderdeel van een veel bredere tegenstelling tussen een christelijke en een niet-christelijke ordening van mens en maatschappij. Religiehistoricus Jean-Philippe Schreiber heeft erop gewezen dat in Humanum genus theologische voorstellingen over de strijd tussen goed en kwaad worden verbonden met een politieke interpretatie van maatschappelijke veranderingen en van de rol die de vrijmetselarij daarin zou spelen.

Leo XIII maakt tegelijk een voorbehoud ten aanzien van individuele vrijmetselaars. Hij verklaart dat zijn oordeel betrekking heeft op de vrijmetselarij “in het algemeen” en op verwante organisaties. Volgens de paus kunnen individuele leden niet op de hoogte zijn van bepaalde doelstellingen of er persoonlijk niet mee instemmen. De collectieve beoordeling van de organisatie in de encycliek mag daardoor niet zonder meer worden gelezen als een identieke beoordeling van iedere individuele vrijmetselaar.

Naturalisme, geloof en rede

Het filosofische kernbegrip van de encycliek is het naturalisme. Leo XIII gebruikt dit begrip voor een levens- en wereldbeschouwing waarin de menselijke natuur en de natuurlijke rede als voldoende worden beschouwd en waarin bovennatuurlijke openbaring en het gezag van de Kerk worden afgewezen. Hij stelt dat dit naturalisme de fundamentele intellectuele positie vormt die achter de door hem bestreden maçonnieke denkbeelden ligt.

De encycliek verwerpt de menselijke rede echter niet als zodanig. Leo XIII betoogt juist dat de natuurlijke rede volgens de katholieke leer tot bepaalde waarheden kan komen, waaronder het bestaan van God, de geestelijke natuur van de ziel en objectieve morele verplichtingen. Zijn bezwaar geldt een autonomie van de rede waarbij openbaring, bovennatuurlijke bestemming en kerkelijk leergezag principieel buiten beschouwing worden gelaten.

Daarmee staat Humanum genus in een breder negentiende-eeuws katholiek debat over de verhouding tussen natuur en bovennatuur, geloof en rede en religieuze en politieke moderniteit. Schreiber ziet de kritiek op het naturalisme als een centraal verbindend element in het document: Leo XIII interpreteert verschillende politieke, morele en religieuze ontwikkelingen vanuit dezelfde vermeende verschuiving van een christelijke naar een uitsluitend natuurlijke maatschappelijke orde.

Mensbeeld, zonde en moraal

Aan de kritiek op het naturalisme ligt een specifiek christelijk mensbeeld ten grondslag. Leo XIII verwijst naar de leer van de erfzonde en stelt dat de menselijke vrije wil daardoor niet vernietigd, maar wel verzwakt en tot het kwaad geneigd is. Daarbij verwijst de encycliek naar de leer van het Concilie van Trente.

Volgens deze visie is morele vorming niet uitsluitend een kwestie van spontane menselijke ontwikkeling. De hartstochten moeten door de rede worden geordend, terwijl voor de bovennatuurlijke bestemming van de mens ook goddelijke genade noodzakelijk is. Moraal berust volgens de encycliek uiteindelijk op een objectieve orde die haar oorsprong in God heeft.

De antropologie van Humanum genus is daardoor tegelijk natuurlijk en bovennatuurlijk: de mens bezit rede, vrije wil en een natuurlijke morele orde, maar zijn uiteindelijke bestemming overstijgt volgens Leo XIII de aardse werkelijkheid. Vanuit dit uitgangspunt bestrijdt hij zowel moreel relativisme als een maatschappijopvatting waarin religie uitsluitend als privézaak wordt behandeld.

Huwelijk, onderwijs en politieke orde

Een aanzienlijk deel van de encycliek behandelt maatschappelijke en politieke onderwerpen. Leo XIII schrijft aan naturalisten en vrijmetselaars onder meer opvattingen toe die volgens hem leiden tot het burgerlijk karakter van het huwelijk, de mogelijkheid van echtscheiding, niet-confessioneel onderwijs, de scheiding van Kerk en staat en een politieke orde waarin openbaar gezag uitsluitend aan de volkswil wordt ontleend.

Daartegenover verdedigt de encycliek een katholieke visie waarin het huwelijk een religieuze en sacramentele dimensie heeft, openbaar gezag uiteindelijk van God afkomstig is en godsdienst niet volledig uit het openbare leven kan worden verwijderd. Leo XIII erkent een fundamentele gelijkheid van mensen naar menselijke natuur en uiteindelijke bestemming, maar verwerpt een opvatting van gelijkheid die volgens hem iedere legitieme sociale of politieke gezagsverhouding uitsluit.

Deze passages moeten mede worden gelezen tegen de achtergrond van concrete negentiende-eeuwse conflicten over secularisering. Historisch onderzoek naar de katholiek-maçonnieke controverse laat zien dat kwesties als openbaar onderwijs, burgerlijk huwelijk, antiklerikalisme en de juridische positie van de Kerk een belangrijk deel vormden van de politieke omgeving waarin de encycliek werd ontvangen.

Voorgestelde maatregelen

In het laatste deel van Humanum genus bevestigt Leo XIII de bestaande kerkelijke verboden met betrekking tot de vrijmetselarij. Hij roept bisschoppen en geestelijken op de katholieke leer over het onderwerp uiteen te zetten en gelovigen te waarschuwen voor organisaties die volgens de Kerk met die leer in strijd waren.

De voorgestelde reactie is echter niet uitsluitend repressief. De encycliek pleit eveneens voor godsdienstonderwijs, katholieke vorming van jongeren en de versterking van katholieke maatschappelijke organisaties. Leo XIII beveelt onder meer de Derde Orde van Sint-Franciscus aan en verwijst naar verenigingen die arbeiders en behoeftigen ondersteunen. Hij beschouwt dergelijke organisaties als middelen om sociale problemen binnen een christelijk kader aan te pakken.

De encycliek eindigt met een oproep tot gebed en beroept zich daarbij onder anderen op Maria, de aartsengel Michaël, Jozef en de apostelen Petrus en Paulus.

Theologische en filosofische kenmerken

Theologisch sluit Humanum genus aan bij verschillende traditionele katholieke denkkaders. Het augustiniaanse motief van de twee steden bepaalt de voorstelling van de geschiedenis, terwijl de leer over erfzonde en genade het mensbeeld van de encycliek mede vormgeeft. Tegelijk gebruikt Leo XIII argumenten uit de katholieke natuurrechtelijke traditie: waarheid, moraal, gezag, huwelijk en samenleving worden niet uitsluitend op openbaring gebaseerd, maar volgens de encycliek gedeeltelijk ook door de natuurlijke rede kenbaar geacht.

Filosofisch richt de kritiek zich daarom minder tegen de rede zelf dan tegen een naturalistische opvatting van de autonomie van mens en maatschappij. De encycliek bestrijdt een model waarin de natuurlijke werkelijkheid als volledig zelfstandig tegenover een bovennatuurlijke orde wordt beschouwd. Dezelfde tegenstelling vormt de achtergrond van de kritiek op religieuze indifferentie en op een staat die volgens Leo XIII zijn handelen geheel losmaakt van religieuze waarheid.

De maatschappelijke filosofie van de encycliek vertoont daarnaast thema's die ook in andere geschriften van Leo XIII terugkeren, zoals de goddelijke grondslag van politiek gezag, de betekenis van het algemeen welzijn, het gezin als sociale instelling en het belang van maatschappelijke organisaties tussen individu en staat. De specifieke toepassing van deze beginselen in Humanum genus staat echter in het teken van de bestrijding van de vrijmetselarij en het naturalisme.

Pauselijke documenten over de vrijmetselarij en andere geheime genootschappen

Humanum Genus staat in een reeks pauselijke documenten, waarin onder andere over de vrijmetselarij en andere geheime genootschappen wordt geoordeeld:

Receptie en invloed

Volgens historicus José Antonio Ferrer Benimeli had Humanum genus een grote weerslag in zowel katholieke als maçonnieke kringen. In de jaren na de publicatie verschenen talrijke publicaties over de vrijmetselarij, werden antimasonieke verenigingen en tijdschriften opgericht en vonden internationale antimasonieke bijeenkomsten plaats. Tot deze mobilisatie behoorde het internationale antimasonieke congres van Trente in 1896. In dezelfde polemische omgeving kreeg ook de door Léo Taxil verspreide en later door hemzelf als bedrog onthulde voorstelling van een satanistische vrijmetselarij veel bekendheid.

Robles Muñoz en Ruiz Sánchez plaatsen de encycliek binnen een bredere opleving van katholieke antimasonieke activiteit tijdens het pontificaat van Leo XIII. De bestrijding van de vrijmetselarij kreeg daarbij niet alleen een doctrinaire, maar ook een pastorale, politieke en publicistische dimensie.

Schreiber benadert Humanum genus vanuit de geschiedenis van politieke en religieuze complotvoorstellingen. Volgens zijn analyse versmelt de encycliek een traditionele theologische voorstelling van de strijd tussen de Kerk en het kwaad met een interpretatie waarin uiteenlopende maatschappelijke veranderingen worden teruggevoerd op een georganiseerd tegenkamp. Deze benadering is van belang voor de historiografie over katholiek antimasonisme, maar is een wetenschappelijke interpretatie van de tekst en geen formulering van het kerkelijke leergezag zelf.

Tegenover de generieke voorstelling van de vrijmetselarij in de encycliek staat in de moderne geschiedschrijving meer aandacht voor de diversiteit van maçonnieke organisaties. Ferrer Benimeli benadrukt dat verschillende nationale grootloges, grootoriënten en ritusfamilies zelfstandig functioneerden en uiteenlopende religieuze en politieke opvattingen konden hebben. Daardoor wordt Humanum genus in historisch onderzoek zowel bestudeerd als een bron voor het katholieke denken over de vrijmetselarij als voor de religieus-politieke conflicten van de late negentiende eeuw.

Anti-vrijmetselarij

Humanum Genus was de laatste en meest hevige pauselijke veroordeling van vrijmetselarij. De encycliek gaf een impuls aan een felle anti-maçonnieke beweging op het einde van de negentiende eeuw, met verdachtmakingen over banden tussen de vrijmetselarij en de duivel, zoals die onder meer tot uiting kwamen in de geschriften van Léo Taxil.

Reacties van de vrijmetselarij

De encycliek riep vrijwel onmiddellijk reacties op in maçonnieke kringen. Nog in 1884 verscheen in Charleston een uitgave van de Latijnse tekst en een Engelse vertaling waaraan een antwoord van de Amerikaanse vrijmetselaar Albert Pike was toegevoegd.

Latere katholieke positie

De kerkelijke afwijzing van lidmaatschap van maçonnieke organisaties bleef na Leo XIII bestaan. Nadat het nieuwe Wetboek van Canoniek Recht van 1983 de vrijmetselarij niet meer uitdrukkelijk bij naam vermeldde, verklaarde de Congregatie voor de Geloofsleer op 26 november 1983 dat dit geen wijziging van het kerkelijke oordeel betekende. Volgens deze verklaring bleven de beginselen van maçonnieke verenigingen volgens de Kerk onverenigbaar met de katholieke leer en bleef lidmaatschap voor katholieken verboden.

Het Dicasterie voor de Geloofsleer verwees in november 2023 opnieuw naar de verklaring van 1983 en bevestigde in antwoord op een vraag uit de Filipijnen dat actief lidmaatschap van de vrijmetselarij voor katholieke gelovigen volgens de Kerk verboden blijft wegens de door haar gestelde onverenigbaarheid van de beginselen.

Zie ook

Zie de categorie Humanum Genus van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.