| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Octobri mense is een encycliek van paus Leo XIII over de rozenkrans, uitgevaardigd op 22 september 1891. De titel is ontleend aan de Latijnse openingswoorden Octobri mense adventante, „bij het naderen van de maand oktober”. De brief is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere plaatselijke ordinarii die in gemeenschap met de Heilige Stoel staan.
In de encycliek hernieuwt Leo XIII zijn oproep om gedurende oktober de rozenkrans te bidden. Hij verbindt dit gebed met de door hem waargenomen problemen van Kerk en samenleving, met de voorspraak van Maria, met de beschouwing van de mysteries uit het leven van Jezus Christus en Maria, en met volharding in gebed en boete. De brief maakte deel uit van een reeks documenten waarin Leo XIII vanaf 1883 de rozenkrans en de bijzondere viering ervan in oktober bevorderde. In zijn encycliek Diuturni temporis uit 1898 blikte hij zelf terug op deze campagne.
Het pontificaat van Leo XIII (1878–1903) viel in een periode waarin de katholieke Kerk zich opnieuw positioneerde tegenover politieke, intellectuele en sociale veranderingen van de negentiende eeuw. Historicus Robert P. Kraynak beschrijft Leo's pontificaat als belangrijk voor de katholieke reactie op de moderniteit. Volgens Kraynak probeerde Leo onderscheid te maken tussen volgens de Kerk onveranderlijke geloofswaarheden en elementen van haar denken die aan de wetenschappelijke, democratische en industriële wereld konden worden aangepast. Een belangrijk onderdeel daarvan was de herwaardering van de filosofie van Thomas van Aquino.
Ook de verhouding tussen Kerk en staat was in deze periode omstreden. In Italië en elders in Europa werd de tijd vanaf de Italiaanse eenwording tot het begin van de twintigste eeuw gekenmerkt door conflicten tussen kerkelijke en antiklerikale of seculariserende politieke stromingen. Die spanning klinkt in Octobri mense door. Leo beschrijft in de eerste paragrafen aanvallen op de kerkelijke leer en moraal, religieuze onverschilligheid en politieke ordeningen waarin volgens hem aan de Kerk geen of onvoldoende plaats werd toegekend. Deze passages geven Leo's eigen beoordeling van de maatschappelijke omstandigheden weer.
De nadruk op oktober was in 1891 niet nieuw. In Supremi apostolatus officio uit 1883 had Leo XIII reeds bijzondere openbare rozenkransgebeden voor oktober bevorderd, en in Superiore anno uit 1884 hernieuwde hij die voorschriften. Octobri mense zette deze bestaande praktijk voort.
De eerste drie paragrafen plaatsen het gebed in het kader van wat Leo als een crisis voor de Kerk beschouwde. Hij roept zowel tot persoonlijk als gemeenschappelijk gebed op en gebruikt daarvoor voorbeelden uit het Nieuwe Testament. Zo verwijst hij naar het gebed van de eerste christelijke gemeenschap voor de gevangengenomen apostel Petrus in Handelingen 12 en naar het gebed van Jezus in Getsemane.
Daarmee krijgt gebed in de encycliek niet alleen een individuele, devotionele functie. Leo stelt het voor als een handeling van de Kerk als gemeenschap. Deze gedachte keert later terug wanneer hij met een verwijzing naar 1 Korintiërs 12 spreekt over de verbondenheid van de leden van het lichaam van Christus.
In het centrale mariologische gedeelte vertrekt Leo vanuit de verlossing door Christus. Hij stelt dat de verlossing van de mens door het kruis van Christus is voltrokken en bespreekt vervolgens Maria's plaats in de incarnatie. Daarbij verwijst hij expliciet naar Thomas van Aquino, Summa theologiae III, quaestio 30, artikel 1, over Maria's vrije instemming met de Annunciatie. Leo presenteert die instemming als gegeven namens de mensheid.
Vervolgens kent de encycliek aan Maria een verregaande rol van voorspraak en bemiddeling toe. Volgens Leo bereikt de door Christus verworven genade de gelovigen volgens Gods beschikking door Maria en kunnen gelovigen zich daarom tot haar als moeder en voorspreekster wenden. De redenering blijft in de tekst verbonden met Christus: Leo begint het gedeelte met Christus' verlossingswerk en beschrijft Maria vervolgens vanuit haar relatie tot Christus en haar moederschap.
De bijbelse en traditionele argumentatie wordt gecombineerd. Naast verwijzingen naar onder meer Johannes 1:17 en het kruisverhaal beroept Leo zich op Thomas van Aquino, liturgische teksten en passages uit de kerkelijke traditie.
In paragraaf 7 beschrijft Leo de rozenkrans als een combinatie van gebed en beschouwing. De mysteries van Jezus en Maria worden volgens hem geordend rond vreugde, lijden en heerlijkheid. Door deze mysteries te overwegen zou de gelovige volgens de encycliek het geloof verdiepen, dwaling weerstaan en tot navolging van Christus worden aangespoord.
De tekst legt daardoor niet alleen de nadruk op de herhaling van gebedsformules. De woorden van het Onzevader, de begroeting van de aartsengel Gabriël en de gebedstraditie van de Kerk worden volgens Leo verbonden met de meditatie over centrale gebeurtenissen uit de christelijke heilsgeschiedenis.
Leo XIII herhaalt in paragraaf 8 de traditionele katholieke voorstelling dat de rozenkrans op bijzondere wijze door Maria aan Dominicus werd toevertrouwd en door hem werd verbreid in de strijd tegen de Albigenzen. Hij vergelijkt die middeleeuwse strijd met de problemen die de Kerk volgens hem in de negentiende eeuw ondervond.
Deze voorstelling van de oorsprong van de rozenkrans wordt in de moderne geschiedschrijving niet als een eenvoudig vaststaand historisch gegeven behandeld. De mediëvist Anne Winston-Allen beschrijft de ontwikkeling van de rozenkrans als een geleidelijk proces in de late middeleeuwen, waarin verschillende vormen van gebed, meditatie en Mariadevotie ontstonden en veranderden. Onder meer Dominicus van Pruisen, Adolf van Essen en later Alanus de Rupe speelden een rol in de ontwikkeling en verspreiding van vormen die met de latere rozenkrans samenhangen. Ook ouder historisch onderzoek wees erop dat vroege biografen van Dominicus hem niet als stichter van de rozenkrans vermelden.
In de volgende paragrafen behandelt Leo de vraag waarom gebeden niet steeds onmiddellijk het gewenste resultaat lijken te hebben. Hij verklaart dit vanuit de goddelijke voorzienigheid en stelt dat het uitblijven van een zichtbaar resultaat geen reden is om het gebed op te geven. Naast tijdelijke belangen noemt hij het eeuwige heil en het welzijn van de Kerk als doeleinden waarop gebed gericht kan zijn.
Aan het gebed koppelt hij vervolgens boete en zelfbeheersing. De encycliek contrasteert de beheersing van lichamelijke verlangens en hartstochten met een leven dat volgens Leo door genot wordt overheerst. Gebed en boete moeten de mens volgens de tekst losmaken van uitsluitend vergankelijke goederen en hem op God en het eeuwige leven richten.
In de slotparagrafen vraagt Leo de bisschoppen de gelovigen ertoe aan te zetten tijdens de komende oktobermaand gezamenlijk de rozenkrans te bidden. Eerder toegekende privileges en aflaten in verband met deze praktijk worden bevestigd.
De paus verbindt het gebed tevens met zijn wens dat volkeren zich volgens zijn formulering opnieuw naar christelijke beginselen zouden richten en dat de Kerk haar vrijheid en rechten onbelemmerd zou kunnen uitoefenen. Hij associeert dit met maatschappelijke vrede en welzijn. Daarmee eindigt de encycliek op dezelfde samenhang van religieuze devotie en maatschappelijke ordening waarmee zij begon.
Hoewel Octobri mense in de eerste plaats een encycliek over gebed en Mariadevotie is, bevat de tekst een aantal elementen die aansluiten bij de bredere filosofische en theologische oriëntatie van Leo XIII.
Een daarvan is het expliciete gebruik van Thomas van Aquino bij de bespreking van Maria's instemming met de incarnatie. Dit past binnen de bredere herleving van het thomisme die tijdens Leo's pontificaat werd bevorderd en die volgens Kraynak een centraal onderdeel vormde van zijn intellectuele antwoord op de moderniteit. In Octobri mense wordt het thomisme echter niet als zelfstandig filosofisch stelsel uiteengezet; Thomas wordt gebruikt binnen een theologische redenering over incarnatie en Maria.
Ook het mensbeeld van de encycliek is sterk religieus en teleologisch geformuleerd. De menselijke persoon wordt voorgesteld als gericht op een uiteindelijk doel dat niet in tijdelijke goederen opgaat. Leo verbindt moreel handelen daarom met de ordening van verlangens, de beheersing van hartstochten, gebed, boete en het streven naar het eeuwige leven. De tekst bevat daarentegen geen afzonderlijke of systematische behandeling van kennistheorie of van de verhouding tussen geloof en rede zoals die in andere geschriften van Leo XIII uitvoeriger aan bod komt.
Op maatschappelijk vlak redeneert de encycliek vanuit de overtuiging dat religie en de Kerk een legitieme en positieve plaats in de publieke orde behoren te hebben. Leo beschouwt maatschappelijke ordeningen die de Kerk marginaliseren als problematisch en bidt in de slotpassages voor herstel van haar vrijheid. Deze positie moet worden gelezen tegen de bredere negentiende-eeuwse conflicten over de verhouding tussen katholieke Kerk, liberale staten en politieke modernisering.
Octobri mense was geen geïsoleerd document. Leo XIII bleef in de jaren na 1891 vrijwel jaarlijks rond de naderende oktobermaand documenten over de rozenkrans uitvaardigen, waaronder Magnae Dei Matris (1892), Laetitiae sanctae (1893), Iucunda semper expectatione (1894), Adiutricem populi (1895), Fidentem piumque animum (1896), Augustissimae Virginis Mariae (1897) en Diuturni temporis (1898).
De invloed van deze reeks was ook later in het pauselijk leergezag zichtbaar. Paus Johannes XXIII herinnerde zich in zijn encycliek Grata recordatio uit 1959 uitdrukkelijk de encyclieken die Leo XIII telkens bij het naderen van oktober liet verschijnen om het rozenkransgebed te bevorderen. Johannes XXIII verwees daarbij onder andere expliciet naar Octobri mense en zette de oproep tot bijzonder rozenkransgebed in oktober voort.