| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Licet multa is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 3 augustus 1881 en gericht aan kardinaal Victor Augustus Dechamps, aartsbisschop van Mechelen, en de overige Belgische bisschoppen. De encycliek behandelt de positie en de onderlinge verdeeldheid van de Belgische katholieken tijdens een periode van scherpe conflicten over onderwijs, de verhouding tussen Kerk en staat en de houding tegenover de Belgische constitutionele instellingen.
Leo XIII prijst in de brief het katholieke onderwijs, roept Belgische katholieken op tot eenheid en matiging in onderlinge polemieken en behandelt de vraag hoe katholieken zich tot moderne staatsinstellingen moeten verhouden. Daarnaast vraagt hij om de verdere ontwikkeling van de filosofische studie van Thomas van Aquino aan de Katholieke Universiteit Leuven. Deze thema's sloten aan bij Leo's bredere streven naar een herleving van de thomistische filosofie en bij zijn pogingen de Belgische katholieken binnen de bestaande constitutionele orde te verenigen.
De encycliek verscheen tijdens de eerste Belgische schoolstrijd van 1879 tot 1884. De liberale onderwijswet van 1879, doorgaans verbonden met de liberale minister Pierre Van Humbeeck, wijzigde de organisatie van het lager onderwijs en leidde tot een hevig conflict tussen de liberale regering en de katholieke Kerk. De tegenstelling tussen liberalen en katholieken over het onderwijs had gedurende een groot deel van de negentiende eeuw een belangrijke plaats ingenomen in de Belgische politiek, maar verscherpte vanaf 1879 aanzienlijk.
De bisschoppen organiseerden verzet tegen het nieuwe onderwijsbeleid en stimuleerden de uitbreiding van katholieke scholen. Het conflict kreeg ook een diplomatieke dimensie. Volgens historicus Jean-Luc Soete probeerde de Regering-Frère-Orban II de onderwijskwestie te verbinden met de constitutionele kwestie en met de houding van de Heilige Stoel tegenover meer radicale katholieke standpunten. De diplomatieke betrekkingen tussen België en de Heilige Stoel werden op 5 juni 1880 verbroken.
Licet multa opent tegen deze achtergrond met waardering voor de inspanningen van de Belgische bisschoppen voor de godsdienstige opvoeding in lagere scholen en voor de christelijke vorming in colleges, andere onderwijsinstellingen en de Universiteit van Leuven. De encycliek is echter niet uitsluitend een document over de schoolstrijd. Een aanzienlijk deel ervan heeft betrekking op meningsverschillen binnen het Belgische katholicisme zelf.
Binnen het Belgische katholicisme bestonden in deze periode spanningen tussen onder meer ultramontaanse katholieken en katholieken die zich gemakkelijker met de liberale constitutionele instellingen van België verzoenden. Ook aan de Leuvense universiteit hadden conflicten over ultramontanisme, katholiek liberalisme en de houding tegenover de grondwettelijke vrijheden gedurende verscheidene decennia een belangrijke rol gespeeld.
Leo XIII probeerde na zijn verkiezing in 1878 de Belgische katholieken tot een meer eensgezinde politieke houding te bewegen. Soete vermeldt dat de paus in 1879 liet verstaan dat Belgische katholieken de grondwet niet alleen niet moesten aanvallen, maar haar onder de bestaande omstandigheden moesten verdedigen.
Een prominent conflict betrof de Leuvense hoogleraar Charles Périn, een invloedrijk vertegenwoordiger van het ultramontanisme. Périn had in 1880 en 1881 scherpe kritiek geuit op liberale katholieken, de katholieke parlementaire rechterzijde en kardinaal Dechamps. Dechamps verlangde dat hij zijn uitspraken herriep, maar Périn weigerde dit. Rechtshistoricus Fred Stevens stelt dat Périn in Licet multa impliciet werd berispt.
In het eerste gedeelte spreekt Leo XIII zijn steun uit voor de inspanningen van het Belgische episcopaat om jeugdonderwijs een christelijk karakter te geven. Hij noemt daarbij uitdrukkelijk de lagere scholen, colleges, andere onderwijsinstellingen en de Universiteit van Leuven.
Daarna verschuift de aandacht naar de verdeeldheid onder katholieke burgers. Volgens de paus konden interne tegenstellingen de Belgische katholieken in tegenover elkaar staande kampen verdelen. Hij achtte hun onderlinge eenheid juist noodzakelijk in een periode waarin de positie van de Kerk volgens hem van buitenaf werd bestreden.
Een centraal onderwerp van de encycliek is een controverse over het publiekrecht en over de vraag in hoeverre bestaande, op wat Leo XIII "modern recht" noemt gebaseerde regeringsvormen aan de katholieke leer moesten worden aangepast.
Leo XIII stelt enerzijds als ideaal dat de maatschappij volgens christelijke beginselen wordt ingericht. Hij verwijst daarbij naar eerdere pauselijke uitspraken over maatschappelijke en politieke orde, waaronder zijn kort daarvoor verschenen encycliek Diuturnum over het burgerlijk gezag. Anderzijds maakt hij onderscheid tussen het handhaven van beginselen en de praktische toepassing daarvan. De Kerk moest volgens hem rekening houden met tijd en plaats en kon onder bepaalde omstandigheden toestanden verdragen die zij niet als ideaal beschouwde, wanneer het onmiddellijk bestrijden ervan tot grotere moeilijkheden zou leiden.
Deze passage sloot aan bij de relatief pragmatische Belgische politiek van Leo XIII. In de geschiedschrijving wordt zijn koers in deze jaren in verband gebracht met zijn streven de katholieken te verenigen zonder een aanval op de Belgische grondwettelijke instellingen te ondersteunen.
Leo XIII behandelt vervolgens de wijze waarop katholieken onderling controverses moesten voeren. Discussies mochten volgens hem de grenzen van rechtvaardigheid en naastenliefde niet overschrijden. Hij keert zich in het bijzonder tegen ongegronde beschuldigingen aan het adres van kerkelijke gezagsdragers en verdedigt kardinaal Dechamps tegen aanvallen die deze in de voorafgaande conflicten had ondervonden.
In dit verband verwijst de encycliek naar degenen "die de Heilige Geest heeft aangesteld om de Kerk van God te leiden", een verwijzing naar Handelingen 20:28. Vervolgens benadrukt Leo XIII de verantwoordelijkheid van de Apostolische Stoel en de paus voor het bewaken van de katholieke geloofs- en zedenleer.
In het laatste inhoudelijke gedeelte richt Leo XIII zich tot geleerden en docenten. Op punten waarover het kerkelijk leergezag volgens hem geen vrijheid van mening liet, moesten katholieke geleerden eensgezind zijn. Waar wetenschappelijke discussie wel vrij was, mochten verschillen van inzicht de onderlinge eenheid niet verbreken.
Als voorbeeld voor de omgang met wetenschappelijke en theologische meningsverschillen noemt de paus Thomas van Aquino. Hij verwijst tevens naar de constitutie Sollicita ac provida van Benedictus XIV, waarin regels voor geleerde controverses waren gegeven. Thomas wordt in Licet multa zowel vanwege zijn wijze van argumenteren als vanwege zijn filosofische en theologische leer als voorbeeld gepresenteerd.
De aandacht voor Thomas stond niet op zichzelf. Leo XIII had met de encycliek Aeterni Patris van 1879 al aangedrongen op een herwaardering van de thomistische filosofie. Zijn beleid was erop gericht het thomisme in katholieke opleidings- en onderzoeksinstellingen opnieuw een centrale plaats te geven.
Voor Leuven was dit programma reeds vóór Licet multa concreet geworden. Een pauselijk schrijven van 25 december 1880 aan Dechamps en de Belgische bisschoppen vroeg om de oprichting van een bijzondere leerstoel voor de interpretatie van de leer van Thomas van Aquino. In Licet multa verwijst Leo XIII naar dit reeds begonnen project en vraagt hij de bisschoppen ermee door te gaan en de thomistische filosofie ook voor andere studierichtingen vruchtbaar te maken.
Het kerkbegrip van Licet multa legt nadruk op de eenheid van geloof en kerkelijke gemeenschap, het gezag van de bisschoppen en de bijzondere verantwoordelijkheid van de paus voor geloof en moraal. De oproep tot eenheid is daardoor niet alleen politiek van aard. Leo XIII verbindt haar met gehoorzaamheid aan kerkelijk gezag en met de deugden van rechtvaardigheid en naastenliefde in theologische en politieke controverses.
De encycliek bevat geen uitgebreide bijbelse exegese. De meest expliciete Schriftverwijzing in de argumentatie is de toespeling op Handelingen 20:28 bij de verdediging van het bisschoppelijk gezag.
In zijn behandeling van het publiekrecht maakt Leo XIII onderscheid tussen normatieve beginselen en politiek handelen onder concrete historische omstandigheden. De paus houdt vast aan een ideaal van een door christelijke beginselen geordende samenleving, maar stelt tegelijkertijd dat de toepassing van die beginselen rekening moet houden met tijd, plaats en de mogelijke gevolgen van politieke actie.
Voor België betekende deze benadering dat een afwijzing van de moderne liberale maatschappij niet automatisch een afwijzing van de bestaande grondwet of regeringsvorm hoefde te betekenen. De historische literatuur plaatst Leo's interventies van 1878-1881 dan ook in een poging om radicale ultramontaanse oppositie af te remmen en katholieken gezamenlijk binnen het bestaande constitutionele kader te laten optreden.
De intellectuele component van de encycliek sluit aan bij Leo XIII's neothomistische programma. Thomas van Aquino wordt niet alleen als kerkelijk gezag aangehaald, maar ook als model voor filosofische argumentatie, theologische studie en een beheerste omgang met intellectuele tegenstanders.
Historica Françoise Hiraux situeert de Leuvense ontwikkeling binnen een bredere katholieke herleving van het thomisme die een antwoord moest bieden op contemporaine filosofische en wetenschappelijke vraagstukken. Leo XIII maakte daarvan na 1878 een expliciet onderdeel van zijn onderwijsbeleid. Licet multa verbindt de noodzaak van intellectuele eenheid daardoor met ruimte voor discussie over kwesties waarop volgens de encycliek geen bindende kerkelijke beslissing rustte.
De encycliek had een directe relatie met de bestaande conflicten binnen het Belgische katholicisme. Stevens beschouwt de afwijzing van aanvallen op Dechamps als een impliciete terechtwijzing van Charles Périn. Soete vermeldt eveneens dat Périn op 3 augustus 1881 in een pauselijk schrijven werd berispt. Kort daarna verliet hij de Universiteit van Leuven en trok hij zich terug in Ghlin.
Hiraux plaatst Périns vertrek in een bredere verandering aan de Leuvense universiteit. Zijn vertrek verminderde er volgens haar de spanningen, in een periode waarin Leo XIII een einde wilde maken aan het conflict tussen voor- en tegenstanders van de liberale instellingen.
Ook het thomistische onderwijsproject werd voortgezet. Op 31 juli 1882 benoemden de Belgische bisschoppen Désiré Mercier tot titularis van de nieuwe leerstoel in de thomistische filosofie. Later dat jaar begon aan Leuven een openbaar college in de hogere filosofie van Thomas van Aquino. Hieruit groeide in 1889 het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte (HIW) aan de Katholieke Universiteit Leuven. Deze ontwikkeling was niet uitsluitend het gevolg van Licet multa: het pauselijke initiatief voor de leerstoel dateerde reeds van december 1880. De encycliek bevestigde en ondersteunde daarmee een al lopend programma.
De Belgische schoolstrijd zelf eindigde niet met de encycliek. Het conflict over het onderwijs bleef voortduren tot 1884, toen na de verkiezingsoverwinning van de katholieken opnieuw een katholieke onderwijswet tot stand kwam.