| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Grande Munus is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 30 september 1880 en gewijd aan de negende-eeuwse missionarissen Cyrillus en Methodius. De encycliek behandelt hun evangelisatiewerk onder Slavische volkeren, het gebruik van een Slavische liturgische taal en hun betrekkingen met de bisschop van Rome. Leo XIII gebruikte hun levensgeschiedenis tevens om de band tussen de Slavische kerken en de Heilige Stoel te benadrukken. Aan het einde van het document breidde hij de liturgische viering van beide heiligen uit tot de universele Romeinse Kerk en bepaalde hij voor deze viering 5 juli.
De Latijnse titel is ontleend aan de openingswoorden Grande munus christiani nominis propagandi, waarin munus betrekking heeft op de grote taak of plicht om het christelijk geloof te verbreiden. Onderzoekers hebben de encycliek onder meer in verband gebracht met de uitbreiding van de verering van Cyrillus en Methodius in het westerse christendom, met het pauselijk streven naar kerkelijke eenheid en met negentiende-eeuwse discussies over Slavische liturgie en nationale identiteit.
De verering van Cyrillus en Methodius bestond al eeuwen in verschillende Slavische gebieden voordat Grande Munus verscheen. Leo XIII vermeldde dat paus Pius IX in 1863 aan katholieken in Bohemen, Moravië en Kroatië toestemming had gegeven hun feest op 5 juli te vieren. Tijdens het Eerste Vaticaans Concilie hadden verschillende bisschoppen vervolgens verzocht de viering tot de gehele Kerk uit te breiden.
De encycliek verscheen in een periode waarin kerkelijke en nationale vraagstukken in Centraal- en Oost-Europa sterk met elkaar verweven waren. Leo XIII verwees zelf naar veranderde politieke omstandigheden in de Slavische gebieden als een aanleiding om opnieuw aandacht te geven aan Cyrillus en Methodius. Historisch onderzoek naar de receptie van de encycliek laat zien dat de belangstelling voor hun erfenis eveneens verbonden raakte met Slavische culturele en nationale bewegingen binnen de Oostenrijks-Hongaarse monarchie.
Ook de verhouding tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de oosterse kerken vormde een bredere achtergrond. Volgens kerkhistoricus Owen Chadwick betekende het negentiende-eeuwse pauselijke streven naar hereniging met andere kerken doorgaans aanvaarding van het gezag van de bisschop van Rome, hoewel Leo XIII op dit terrein soms gematigder formuleerde dan zijn voorgangers. Dit kerkbegrip is ook in Grande Munus zichtbaar.
Een groot deel van de encycliek bestaat uit een samenvattend levensverhaal van Cyrillus en Methodius. Leo XIII beschrijft hun afkomst uit Thessaloniki, hun opleiding en religieuze leven in het Byzantijnse Rijk, de missie van Cyrillus onder de Chazaren en vervolgens de gezamenlijke missie van de broers in Groot-Moravië.
Volgens de encycliek nodigde de Moravische vorst Rastislav vanuit Constantinopel missionarissen uit om het christendom onder zijn bevolking te verkondigen. Cyrillus en Methodius werden voor deze taak gekozen. Leo XIII legt daarbij nadruk op hun verkondiging in een voor de bevolking begrijpelijke Slavische taal en op vertalingen van Bijbelse en liturgische teksten.
De tekst volgt daarna hun reis naar Rome, de goedkeuring die hun werk daar volgens de encycliek verkreeg en de verdere werkzaamheid van Methodius. Vooral de goedkeuring van de Slavische liturgie door de paus krijgt een belangrijke plaats in het relaas. De levensbeschrijving dient daardoor niet alleen als hagiografische herinnering aan twee heiligen, maar vormt tevens de historische onderbouwing voor het kerkelijke betoog dat Leo XIII in het tweede deel van de encycliek ontwikkelt.
Het gebruik van een Slavische taal voor verkondiging en liturgie is een centraal thema in Grande Munus. Leo XIII schrijft het succes van de missie mede toe aan Cyrillus' kennis van het Slavisch en aan de vertaling van Bijbelse teksten in de volkstaal. De encycliek schrijft daarnaast aan Cyrillus en Methodius de totstandkoming van een Slavisch alfabet en een geschreven taal toe.
Deze formulering moet worden onderscheiden van de terminologie van modern taalhistorisch onderzoek. Het alfabet dat in verband wordt gebracht met Constantijn-Cyrillus en de oorspronkelijke missie is het glagolitische alfabet. Taalkundige Jouko Lindstedt beschrijft het rond 860 ontstane project als de ontwikkeling van een nieuw schrift en een geschreven Slavische taal, tegenwoordig aangeduid als het Oudkerkslavisch. Het Cyrillisch alfabet ontstond later in een Bulgaarse omgeving onder invloed van de traditie van hun leerlingen en werd naar Cyrillus genoemd.
Voor Leo XIII is het gebruik van de Slavische liturgische taal verenigbaar met kerkelijke eenheid zolang dit binnen de door Rome goedgekeurde kerkelijke orde plaatsvindt. Hij verwijst daarvoor uitvoerig naar paus Johannes VIII, die in 880 het gebruik van het Slavisch in de liturgie van Methodius bevestigde. De encycliek presenteert culturele en taalkundige aanpassing daarmee niet als alternatief voor kerkelijke eenheid, maar als een middel voor missionering binnen die eenheid.
In de tweede helft van de encycliek verschuift het zwaartepunt van de levensbeschrijving naar de relatie tussen de Slavische volkeren en Rome. Leo XIII noemt de Apostolische Stoel het centrum van de katholieke eenheid en benadrukt dat het werk van Cyrillus en Methodius volgens zijn lezing door de pausen werd goedgekeurd en kerkelijk bevestigd.
Daarbij worden verschillende episodes uit hun leven gebruikt als argument voor continuïteit met Rome: hun reis naar de stad, de kerkelijke erkenning van hun missie, de goedkeuring van de Slavische liturgie en Methodius' contacten met paus Johannes VIII. De interpretatie van Cyrillus en Methodius staat in Grande Munus daardoor sterk in het teken van het pauselijk primaat. Lanceva, Gapanyuk en Simon noemen naast missionering, liturgische verering en katholieke vroomheid juist het pauselijk primaat als een van de afzonderlijke hoofdthema's van het document.
Het begrip kerkelijke eenheid in de encycliek verschilt van het oecumenische vocabulaire dat in de twintigste eeuw gangbaar werd. Leo XIII spreekt aan het einde van het document de wens uit dat van Rome gescheiden christenen met de volgens hem ware Kerk worden verzoend. Dit sluit aan bij de negentiende-eeuwse katholieke opvatting van kerkelijke hereniging die door Chadwick is beschreven, waarin eenheid primair werd gedacht vanuit gemeenschap met de Stoel van Rome.
Leo XIII besloot dat de viering van Cyrillus en Methodius op 5 juli moest worden opgenomen in de kalender van de universele Romeinse Kerk. Priesters die het goddelijk officie volgens de Romeinse ritus vierden, moesten de in de encycliek vastgestelde viering in acht nemen. De uitbreiding van het feest vormde daarmee het concrete juridische en liturgische besluit waarmee het document eindigde.
Na het Tweede Vaticaans Concilie werd de liturgische viering in de herziene Romeinse kalender naar 14 februari verplaatst, de sterfdag van Cyrillus.
De theologische argumentatie van Grande Munus is voornamelijk missionair en ecclesiologisch. De encycliek opent met de gedachte dat de verkondiging van het christelijk geloof in het bijzonder aan de apostel Petrus en zijn opvolgers is toevertrouwd. Vervolgens plaatst Leo XIII Cyrillus en Methodius in een reeks missionarissen die vanuit die kerkelijke opdracht onder verschillende volkeren werkzaam waren.
Een uitvoerige Bijbelexegese vormt geen zelfstandig onderdeel van de encycliek. Voor de concrete argumentatie over de Slavische missie beroept Leo XIII zich vooral op de kerkelijke traditie, op het optreden van eerdere pausen en op historische precedenten. Met name Adrianus II, Johannes VIII, Benedictus XIV en Pius IX functioneren als schakels in een voorstelling van continuïteit in het kerkelijk leer- en bestuursgezag.
De heiligen worden tevens voorgesteld als voorbeelden van missionaire gehoorzaamheid en heiligheid. Hun missionering, de verkondiging in de taal van de bevolking en hun verbondenheid met Rome vormen binnen de encycliek geen afzonderlijke thema's, maar onderdelen van één ecclesiologisch geheel.
Grande Munus bevat geen uitgewerkt filosofisch systeem en ontwikkelt geen afzonderlijke metafysica of kennistheorie. Het mens- en cultuurbeeld wordt vooral zichtbaar in Leo XIII's beschrijving van evangelisatie. Hij stelt het christelijk geloof voor als een religieuze en tevens beschavende kracht en beschrijft de kerstening van Slavische volkeren in de negentiende-eeuwse termen van een overgang naar een meer ontwikkelde cultuur. Deze formulering weerspiegelt het confessionele en civilisatorische vocabulaire van de periode en wordt in historische beschrijvingen daarom als een opvatting van de encycliek weergegeven, niet als een neutrale karakterisering van voorchristelijke Slavische samenlevingen.
Tegelijkertijd kent de encycliek aan taal een positieve functie toe. De liturgische toepassing van het Slavisch wordt niet voorgesteld als belemmering voor universaliteit, aangezien volgens Leo XIII verschillende talen binnen dezelfde geloofsgemeenschap gebruikt kunnen worden wanneer leer en kerkelijke gemeenschap behouden blijven. De historische ontwikkeling van het Oudkerkslavisch bevestigt dat het taalproject van Cyrillus, Methodius en hun leerlingen een langdurige invloed kreeg op de religieuze en literaire cultuur van verschillende Slavische volkeren.
De maatschappelijke beschouwingen in Grande Munus zijn beperkt maar expliciet aanwezig. Leo XIII spreekt de verwachting uit dat verbondenheid met de Katholieke Kerk positieve gevolgen heeft voor het gezinsleven en voor het openbare bestuur. De encycliek verbindt religieuze eenheid op deze wijze met maatschappelijke orde, harmonie en welzijn.
Begrippen die in de latere katholieke sociale leer sterk zouden worden uitgewerkt, zoals subsidiariteit, vormen daarentegen geen zelfstandige argumenten in Grande Munus. Het maatschappelijke betoog blijft ondergeschikt aan de missionaire en ecclesiologische doelstelling van het document.
Het levensverhaal in Grande Munus heeft zowel een historische als een hagiografische functie. Leo XIII wilde de heiligen als voorbeelden voor de gehele Kerk presenteren en selecteerde gebeurtenissen uit hun levensgeschiedenis die de missionering, de Slavische liturgie en de band met Rome ondersteunden. Het document moet daarom worden onderscheiden van moderne kritische geschiedschrijving over de negende eeuw.
Dat onderscheid is bijvoorbeeld zichtbaar bij het schrift. Waar Grande Munus in algemene bewoordingen Cyrillus en Methodius gezamenlijk als uitvinders van een Slavisch alfabet behandelt, maakt hedendaags onderzoek onderscheid tussen het glagolitische schrift van de oorspronkelijke missie en het later ontwikkelde Cyrillische schrift.
Ook de geografische omvang van de activiteit van Methodius wordt in de encycliek soms ruimer voorgesteld dan op grond van de beschikbare historische gegevens met zekerheid kan worden vastgesteld. Leo XIII vermeldt onder meer tradities over werkzaamheden in Polen, Galicië en het gebied van Kiev en gebruikt bij een deel daarvan zelf een voorbehoud. In de twintigste-eeuwse kerkelijke geschiedschrijving werd eveneens terughoudender geformuleerd over een rechtstreeks door Methodius opgebouwde kerkelijke organisatie in bijvoorbeeld Polen.
De encycliek kreeg kort na de publicatie respons onder Slavische katholieken. Volgens historicus Peter Ivanič was een dankbedevaart van ongeveer 1.400 Slaven naar Rome, die van 25 juni tot 5 juli 1881 plaatsvond, een directe reactie op de aandacht die Leo XIII in Grande Munus aan het Cyrillo-Methodiaanse erfgoed had gegeven. Ook Slowaakse katholieken namen aan deze bedevaart deel.
De betekenis van de encycliek was niet uitsluitend devotioneel. In Dalmatië speelde zij een rol in discussies over het herstel en de uitbreiding van de glagolitische liturgie. Reljanović stelt dat de encycliek daar als bevestiging van het gebruik van het Oudslavisch in de eredienst werkte en een nieuwe impuls gaf aan het glagolitisme.
Deze ontwikkeling kreeg eveneens een politieke dimensie. Oostenrijks-Hongaarse autoriteiten zagen delen van de beweging volgens Reljanović als uitingen van panslavisme en Kroatisch nationalisme. Onder politieke druk werden in 1892 en 1898 vanuit Rome beperkingen voor het gebruik van de glagolitische liturgie vastgesteld, waartegen in Kroatische kerkelijke en politieke kringen verzet ontstond.
In de twintigste eeuw bleef Grande Munus een referentiepunt in pauselijke documenten over Cyrillus en Methodius. Op 31 december 1980, ongeveer een eeuw na de encycliek, riep paus Johannes Paulus II de beide heiligen met de apostolische brief Egregiae Virtutis uit tot medepatronen van Europa. Hij verbond dit besluit uitdrukkelijk met de eerdere stap van Leo XIII.
Johannes Paulus II werkte deze herinnering verder uit in zijn encycliek Slavorum Apostoli van 2 juni 1985. Daarin plaatste hij Cyrillus en Methodius sterker in het kader van verzoening tussen christelijke kerken, culturele verscheidenheid en de waardigheid van afzonderlijke volkeren. Hij wees tevens op de historische betekenis van Grande Munus voor de verbreiding van hun verering in de gehele Katholieke Kerk.
Daarmee veranderde ook de context waarin de erfenis van Grande Munus werd gelezen. Waar Leo XIII in 1880 kerkelijke eenheid vooral vanuit gemeenschap met Rome formuleerde, kreeg de herinnering aan Cyrillus en Methodius in de tweede helft van de twintigste eeuw daarnaast een expliciet oecumenische betekenis. Johannes Paulus II verbond het eeuwfeest van Grande Munus in 1980 onder meer met de toen begonnen officiële theologische dialoog tussen de Katholieke en de Orthodoxe Kerken.