Ad Extremas

Deel van de serie over
documenten van de
Heilige Stoel

Constituties, encyclieken,
exhortaties en instructies

Wapen van de Heilige Stoel
op gezag van
de Heilige Stoel
Constituties

Sacrosanctum Concilium
Gaudium et Spes
Lumen Gentium

Encyclieken

Pius IX
Leo XIII
Pius X
Benedictus XV
Pius XI
Pius XII
Johannes XXIII
Paulus VI
Johannes Paulus II
Benedictus XVI
Franciscus

Instructies

Inter Oecumenici
Liturgiam Authenticam
Redemptionis Sacramentum

Ad extremas is een encycliek van paus Leo XIII, gedateerd op 24 juni 1893, over de opleiding van geestelijken uit de plaatselijke bevolking en de ontwikkeling van seminaries voor de katholieke missies in India. De titel is ontleend aan de openingswoorden van de Latijnse tekst, Ad extremas Orientis oras. De brief was gericht aan patriarchen, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere kerkelijke ordinarii die in gemeenschap met de Heilige Stoel stonden.

In de encycliek stelt Leo XIII dat de verdere ontwikkeling van de katholieke Kerk in India niet uitsluitend van buitenlandse missionarissen kon afhangen. Hij benadrukt daarom de opleiding van priesters uit de plaatselijke bevolking, die volgens hem beter vertrouwd waren met lokale talen, gewoonten en maatschappelijke omstandigheden. De godsdienstwetenschapper Andrew Unsworth behandelt Ad extremas als een bron voor de officiële rooms-katholieke visie op India en Indiase religieuze tradities aan het einde van de negentiende eeuw, en plaatst het document in een langere ontwikkeling die hij vergelijkt met de benadering van niet-christelijke religies tijdens het Tweede Vaticaans Concilie.

Achtergrond

De encycliek verscheen tegen de achtergrond van een reorganisatie van de katholieke kerkelijke structuren in India onder Leo XIII. Na een overeenkomst tussen de Heilige Stoel en Portugal van 23 juni 1886 reorganiseerde de paus met de apostolische brief Humanae salutis van 1 september 1886 de kerkelijke hiërarchie in Brits-Indië en gebieden die onder Portugese invloed stonden. In Ad extremas verwijst Leo XIII naar deze regeling en noemt hij acht kerkprovincies: Goa, Agra, Bombay, Verapoly, Calcutta, Madras, Pondicherry en Colombo.

Vanaf 1887 vonden volgens de encycliek kerkelijke synoden plaats in onder meer Colombo, Bangalore en Allahabad. Daar werd besloten dat ieder bisdom zo mogelijk over een seminarie voor kandidaten uit de plaatselijke bevolking moest beschikken. Wanneer een eigen instelling niet mogelijk was, konden kandidaten voor hun opleiding naar het seminarie van de betrokken metropolitane zetel worden gestuurd. Leo XIII stelde vast dat de uitvoering hiervan werd belemmerd door een tekort aan financiële middelen en aan priesters die geschikt waren om seminaristen op te leiden.

Inhoud

Een centraal argument in Ad extremas is dat de aanwezigheid van een goed opgeleide plaatselijke clerus volgens Leo XIII noodzakelijk was voor de duurzaamheid en uitbreiding van de katholieke missies. Buitenlandse missionarissen beheersten volgens hem niet altijd de plaatselijke talen en waren minder vertrouwd met lokale gebruiken. Priesters afkomstig uit de bevolking zelf zouden deze kennis reeds bezitten en daardoor gemakkelijker toegang hebben tot de plaatselijke samenleving.

Leo XIII voerde daarnaast een praktisch argument aan. Het aantal Europese missionarissen was volgens hem ontoereikend voor een groeiende katholieke bevolking. Bovendien konden missies die vrijwel geheel afhankelijk waren van buitenlandse geestelijken kwetsbaar worden wanneer buitenlandse missionarissen door politieke omstandigheden moesten vertrekken. De paus verwees daarbij naar eerdere gebeurtenissen in onder meer China, Japan en Ethiopië.

Als kerkelijk precedent wees Leo XIII op de praktijk van de vroege Kerk en van eerdere pausen, waarbij bekeerlingen uit plaatselijke bevolkingen tot priester en in sommige gevallen tot bisschop werden gewijd. De vorming van een plaatselijke clerus werd zo niet als een afwijking van de katholieke traditie gepresenteerd, maar als een voortzetting van een oudere missionaire praktijk.

De encycliek riep vervolgens op tot de verdere ontwikkeling van seminaries waar kandidaten uit de plaatselijke bevolking zowel kerkelijke studies als geestelijke vorming konden ontvangen. Omdat de beschikbare plaatselijke middelen volgens Leo XIII onvoldoende waren, deed hij tevens een beroep op katholieken in Europa om financieel bij te dragen. Eventuele middelen die na de financiering van de seminaries zouden overblijven, konden volgens het document worden aangewend voor andere behoeften van de missie.

Theologische en missiologische argumentatie

De argumentatie van de encycliek staat in het teken van de katholieke missieleer van de negentiende eeuw. Leo XIII verbindt de opleiding van plaatselijke priesters aan de verbreiding en bestendiging van het christelijk geloof. Daarbij verwijst hij naar de apostel Thomas en naar Franciscus Xaverius als historische voorbeelden van de verkondiging van het christendom in Azië.

De tekst combineert deze missionaire doelstelling met een institutioneel argument: een kerk die duurzaam in een gebied aanwezig wil zijn, heeft volgens Leo XIII geestelijken nodig die uit de betrokken samenleving zelf afkomstig zijn. De paus beschrijft deze geestelijken niet uitsluitend als helpers van Europese missionarissen, maar acht hun opleiding noodzakelijk om in de pastorale behoeften van de lokale kerk te voorzien.

Tegelijkertijd weerspiegelt het taalgebruik van Ad extremas de katholieke missionaire opvattingen van de late negentiende eeuw. In de officiële Engelse vertaling worden brahmaanse religieuze voorstellingen in de openingspassage bijvoorbeeld aangeduid als “myths and vile superstitions”. Unsworth analyseert juist deze beschrijving van Indiase religies als een belangrijk aspect van het document. Volgens hem biedt de encycliek daardoor inzicht in officiële katholieke opvattingen over de religieuze tradities van India aan het einde van de negentiende eeuw. Hij vergelijkt die opvattingen met de wijze waarop het Tweede Vaticaans Concilie later over het hindoeïsme en andere niet-christelijke religies sprak.

Historische betekenis en doorwerking

Een concreet voorbeeld van de institutionele ontwikkeling van de priesteropleiding was het pauselijk seminarie dat in 1893 in Kandy op Ceylon, het huidige Sri Lanka, werd gevestigd. Volgens de eigen geschiedschrijving van het huidige Papal Seminary in Pune vloeide de stichting voort uit Leo XIII's streven naar de opleiding van een plaatselijke clerus. De uitvoering werd toevertrouwd aan de pauselijke delegaat Ladislaus Zaleski; het seminarie begon in Kandy met elf studenten. Omdat dit een institutionele geschiedschrijving van het seminarie zelf is, vormt deze bron vooral bewijs voor de eigen historische traditie van de instelling.

Unsworth beschouwt Ad extremas in een bredere geschiedenis van de katholieke Kerk in India. Zijn analyse richt zich zowel op de oproep tot een plaatselijke Indiase clerus als op de wijze waarop de encycliek Indiase religies beschrijft. Hij plaatst het document daarbij in een historische ontwikkeling tussen het pontificaat van Leo XIII en de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie. Daarmee kan Ad extremas worden bestudeerd als een bron voor zowel het negentiende-eeuwse katholieke missiebeleid als de toenmalige kerkelijke beeldvorming over de religieuze tradities van India.

Zie ook

Zie de categorie Ad extremas van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.