| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Spectata fides is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 27 november 1885 en gericht aan kardinaal Henry Edward Manning, aartsbisschop van Westminster, en de overige rooms-katholieke bisschoppen van Engeland. Het document behandelt de christelijke opvoeding van kinderen en in het bijzonder de betekenis van scholen waarin algemeen onderwijs wordt verbonden met godsdienstige en morele vorming.
De encycliek verscheen tegen de achtergrond van het langdurige Britse debat over confessioneel onderwijs na de Elementary Education Act van 1870. Die wet introduceerde in Engeland en Wales een zogenoemd duaal stelsel waarin reeds bestaande, veelal confessionele voluntary schools naast nieuwe, door lokale schoolbesturen beheerde board schools bleven bestaan. Voor de katholieke gemeenschap waren vooral de financiering van de eigen scholen, de godsdienstige inhoud van het onderwijs en de vrijheid van ouders om confessioneel onderwijs te kiezen belangrijke kwesties.
Gedurende de negentiende eeuw werd lager onderwijs voor Engelse katholieken een belangrijk kerkelijk en maatschappelijk vraagstuk. De katholieke kerk bouwde een netwerk van scholen uit dat in belangrijke mate bedoeld was voor kinderen uit arme katholieke gezinnen. Historicus Eric G. Tenbus beschrijft de voorziening van lager onderwijs als een van de centrale belangen van de Engelse katholieke leiding in de tweede helft van de negentiende eeuw.
De Elementary Education Act van 1870 vergrootte de betrokkenheid van de staat bij het lager onderwijs. Waar onvoldoende schoolplaatsen bestonden, konden plaatselijke schoolbesturen nieuwe board schools oprichten. Deze scholen werden mede uit lokale belastingen gefinancierd. Daarnaast bleven de bestaande voluntary schools, waaronder katholieke en anglicaanse scholen, deel uitmaken van het onderwijsstelsel. In de board schools mocht op grond van de zogenoemde Cowper-Temple-clausule geen confessionele catechismus of voor één kerk kenmerkende geloofsleer worden onderwezen. Daardoor ontstond een debat over de verhouding tussen niet-confessioneel godsdienstonderwijs, confessioneel onderwijs, godsdienstvrijheid en ouderlijke rechten.
Voor katholieke scholen speelde tevens een financieel probleem. Terwijl de board schools toegang hadden tot plaatselijke belastingmiddelen, waren katholieke scholen in belangrijke mate afhankelijk van bijdragen van de eigen gemeenschap, schoolgelden en overheidssubsidies. Volgens Tenbus werd deze ongelijkheid in financiering een belangrijk onderdeel van de katholieke politieke campagne voor het behoud van confessionele scholen.
Kardinaal Manning behoorde tot de belangrijkste katholieke woordvoerders in het onderwijsdebat. In de aanloop naar de Britse verkiezingen van 1885 probeerden Manning en andere katholieke bisschoppen de onderwijskwestie nadrukkelijk op de politieke agenda te plaatsen. Manning pleitte daarnaast voor onderzoek naar de werking van het bestaande onderwijsstelsel. In januari 1886, enkele weken na de uitvaardiging van Spectata fides, werd de Royal Commission on the Elementary Education Acts ingesteld onder voorzitterschap van Richard Assheton Cross. Manning maakte aanvankelijk deel uit van deze zogenoemde Cross Commission.
Spectata fides is een relatief korte pauselijke tekst. Zij is rechtstreeks gericht tot Manning en de overige bisschoppen van Engeland. Leo XIII reageert in de openingspassage op een gezamenlijke brief die hij van de bisschoppen had ontvangen en waarin zij hem hadden geïnformeerd over hun overleg en besluiten betreffende de christelijke opvoeding van jongeren.
De encycliek heeft daardoor in belangrijke mate het karakter van een bemoedigende en pastorale brief. Leo prijst achtereenvolgens de bisschoppen, de geestelijkheid die scholen oprichtte en onderwijs verzorgde, en katholieke leken die financieel bijdroegen aan het onderhoud van die scholen. Het document bevat geen uitvoerige systematische uiteenzetting van een onderwijstheorie, maar formuleert enkele beginselen over de verhouding tussen kennis, geloof, moraal, ouderlijke verantwoordelijkheid en maatschappij.
Centraal in de encycliek staat de stelling dat intellectuele vorming volgens Leo XIII niet van geloof en moraal moet worden losgemaakt. Hij stelt dat onderwijs in algemene kennis behoort samen te gaan met wat hij beschouwt als een gezonde vorming in geloof en zeden. Vanuit dat uitgangspunt spreekt hij zijn steun uit voor door particuliere middelen onderhouden voluntary schools. Hij verwijst daarbij niet alleen naar Engeland, maar ook naar dergelijke scholen in Frankrijk, België, Amerika en Britse koloniën.
De paus presenteert onderwijs daarmee niet uitsluitend als kennisoverdracht. De school heeft in zijn redenering eveneens een vormende taak. Christelijke opvoeding moet kinderen volgens de encycliek voorbereiden op een christelijke levenswijze en tegelijk bijdragen aan hun ontwikkeling als leden van de samenleving.
Een tweede belangrijk thema is de positie van de ouders. Leo XIII stelt dat de door hem verdedigde scholen de vrijheid van ouders eerbiedigen. Hij waarschuwt katholieke ouders bovendien tegen scholen waar hun kinderen geen godsdienstonderwijs kunnen ontvangen.
Deze nadruk sloot aan bij een breder argument dat door katholieke leiders in het Victoriaanse onderwijsdebat werd gebruikt. In de historische literatuur wordt de katholieke campagne mede geïnterpreteerd als een beroep op ouderlijke rechten en burgerlijke vrijheid tegenover een groeiende rol van de staat in het onderwijs. Onderzoek van Aidan Cottrell-Boyce plaatst de katholiek-protestantse conflicten over het onderwijs na 1870 eveneens in het bredere debat over de grenzen van godsdienstvrijheid, tolerantie en secularisering.
Leo XIII verbindt de religieuze opvoeding van het kind tevens met het algemeen maatschappelijk belang. Volgens de encycliek kan een christelijke school zowel de religieuze overtuiging van leerlingen bewaren als burgers vormen die bijdragen aan de staat. De toekomstige toestand van de samenleving is volgens de paus mede afhankelijk van de opvoeding die kinderen ontvangen.
Daarmee wijst de tekst een tegenstelling af tussen confessionele vorming en burgerschap: in de redenering van Leo XIII zou juist een christelijk gevormde persoon een goede burger kunnen zijn. Dit argument maakte eveneens deel uit van het bredere katholieke antwoord op de uitbreiding van niet-confessioneel onderwijs in het Victoriaanse Engeland.
De encycliek beperkt haar waardering voor religieus onderwijs niet volledig tot katholieken. Leo XIII merkt op dat ook veel niet-katholieken in Groot-Brittannië belang hechtten aan godsdienstige opvoeding. Hoewel zij volgens hem niet op alle punten met de katholieke kerk overeenstemden, zag hij hun inzet voor het behoud van christelijke vorming als positief.
Deze passage past binnen de feitelijke situatie waarin verdedigers van confessioneel onderwijs niet uitsluitend uit katholieke kring kwamen. Ook binnen de Anglicaanse Kerk bestond verzet tegen een verdere secularisering of verzwakking van confessioneel onderwijs. Manning zocht in de jaren voor en na 1885 daarom ook samenwerking met anglicaanse voorstanders van religieus onderwijs.
De theologische argumentatie van Spectata fides concentreert zich op de gedachte dat christelijke vorming betrekking heeft op de gehele opvoeding van het kind. Leo XIII maakt geen scherpe scheiding tussen intellectuele kennis enerzijds en morele en religieuze vorming anderzijds. De vorming tot een christelijk leven wordt naast het verwerven van elementaire kennis als taak van het onderwijs genoemd.
De encycliek bevat geen uitgebreide Bijbelexegese en formuleert evenmin een systematisch filosofisch stelsel. Christus wordt genoemd als grondslag van de menselijke vervolmaking die door christelijke opvoeding wordt bevorderd. Daarnaast verwijst Leo XIII naar Augustinus van Canterbury en paus Gregorius I de Grote in zijn beschrijving van de christelijke traditie van Engeland.
Filosofisch en politiek zijn vooral de begrippen ouderlijke vrijheid en maatschappelijk welzijn zichtbaar. De tekst veronderstelt dat ouders een bijzondere verantwoordelijkheid hebben voor de religieuze opvoeding van hun kinderen en verbindt die verantwoordelijkheid met de keuze van een school.
In de historische context maakte deze opvatting deel uit van een ruimer debat over de vraag waar het gezag over onderwijs behoorde te liggen: bij de staat, lokale gemeenschappen, kerken of ouders. Tenbus beschrijft het katholieke argument nadrukkelijk in termen van ouderlijke en burgerlijke rechten, terwijl Cottrell-Boyce het conflict over confessioneel en niet-confessioneel onderwijs analyseert als een debat over verschillende opvattingen van secularisme en godsdienstvrijheid.
Spectata fides behoort tot de negentiende-eeuwse pauselijke documenten over onderwijs die voorafgingen aan de veel uitvoeriger encycliek Divini Illius Magistri van paus Pius XI uit 1929. In hedendaagse verzamelingen van kerkelijke documenten over katholiek onderwijs wordt Spectata fides nog steeds naast latere documenten over het katholieke onderwijs vermeld.
Binnen de specifieke geschiedenis van het Engelse katholicisme moet de encycliek vooral worden gelezen tegen de achtergrond van het langdurige streven naar behoud en financiering van katholieke scholen. Historisch onderzoek wijst erop dat onderwijs in deze periode niet slechts een praktisch kerkelijk probleem was, maar ook een middel werd waarmee de Engelse katholieke gemeenschap haar religieuze identiteit, politieke belangen en positie binnen de Britse samenleving vormgaf.