| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
In Ipso (incipit: In ipso supremi Pontificatus) is een pauselijke encycliek van paus Leo XIII, gedateerd op 3 maart 1891 en gericht aan de bisschoppen van Oostenrijk. Het document behandelt vooral de samenwerking tussen de bisschoppen en het houden van regelmatige bisschoppenvergaderingen. Daarnaast komen onder meer de opleiding van geestelijken, catechese, de katholieke pers en de positie van arbeiders aan bod.
De encycliek stond niet aan het begin van de Oostenrijkse bisschoppenconferenties. De eerste gezamenlijke bijeenkomst van Oostenrijkse bisschoppen vond in 1849 in Wenen plaats. Na de Ausgleich van 1867 kwamen de bisschoppen van de Cisleithaanse rijkshelft afzonderlijk van de Hongaarse bisschoppen bijeen. In 1885 besloten de Cisleithaanse bisschoppen hun overleg op regelmatige basis voort te zetten. Leo XIII gaf in In Ipso pauselijke steun aan deze ontwikkeling en drong aan op jaarlijkse bijeenkomsten.
De kerkelijke situatie waarin In Ipso verscheen, was mede gevormd door de veranderingen in de verhouding tussen de katholieke Kerk en de Habsburgse staat gedurende de voorafgaande decennia. Het Concordaat van 1855 had de Kerk ruime bevoegdheden gegeven, onder meer op het terrein van het katholieke huwelijksrecht en het onderwijs. In de liberale periode na 1867 werd een deel van deze regeling teruggedraaid. De zogenoemde Meiwetten van 1868 brachten het katholieke huwelijksrecht opnieuw sterker onder het burgerlijk recht, beperkten kerkelijke zeggenschap over openbare scholen en regelden interconfessionele verhoudingen. Nieuwe wetten van 1874 bepaalden vervolgens onder meer de externe juridische verhouding tussen de katholieke Kerk en de staat.
Deze ontwikkelingen vormden een Oostenrijkse variant van de bredere negentiende-eeuwse conflicten over de positie van de Kerk in een constitutionele en liberaliserende samenleving. De katholieke hiërarchie behield een belangrijke maatschappelijke positie, maar moest zich tegelijkertijd verhouden tot een staatsbestel waarin onderwijs, burgerlijk recht en interconfessionele betrekkingen in toenemende mate wettelijk buiten directe kerkelijke controle werden geregeld.
De eerste Oostenrijkse bisschoppenconferentie kwam tussen april en juni 1849 in Wenen bijeen en behoorde daarmee tot de vroege negentiende-eeuwse vormen van georganiseerd overleg tussen katholieke bisschoppen. In 1856 vergaderden de Oostenrijkse en Hongaarse bisschoppen gezamenlijk over de uitvoering van het concordaat van 1855. Na de Oostenrijks-Hongaarse Ausgleich van 1867 ontwikkelde het overleg van de Cisleithaanse bisschoppen zich onafhankelijk van dat van de Hongaarse bisschoppen.
Tijdens de Oostenrijkse kerkpolitieke conflicten vonden dergelijke bijeenkomsten op wisselende momenten plaats. In het voorjaar van 1885 besloten de Cisleithaanse bisschoppen jaarlijks overleg te houden. Naast plenaire vergaderingen bestond een kleiner permanent bisschoppelijk comité. Tussen 1885 en 1918 vonden acht plenaire conferenties in Wenen plaats, waaronder vergaderingen in 1885, 1889 en 1891.
Canoniek-historicus Paul Pallath plaatst de Oostenrijkse ontwikkeling in de bredere negentiende-eeuwse opkomst van bisschoppenconferenties in Europa. Volgens hem betekende In Ipso in 1891 de pauselijke goedkeuring van de Oostenrijkse conferentie en de aanbeveling om de vergaderingen jaarlijks te houden. Dergelijke conferenties hadden in deze periode vooral een raadplegend en coördinerend karakter en waren nog niet de permanent geregelde instellingen die zij in het latere kerkelijk recht zouden worden.
Aan het begin van In Ipso beschrijft Leo XIII de positie van de Kerk in sterk apologetische bewoordingen. Hij stelt dat tegenstanders van de Kerk de invloed van religie uit gezin, onderwijs, wetgeving en maatschappelijke instellingen proberen terug te dringen. Deze voorstelling wordt in de encycliek verbonden met Leo's opvatting dat religie van fundamenteel belang is voor de stabiliteit van de samenleving.
Tegen deze achtergrond prijst de paus de eenheid van de Oostenrijkse bisschoppen. Hij acht jaarlijkse bijeenkomsten wenselijk om onderling advies mogelijk te maken, gezamenlijk beleid te bespreken en eensgezind op maatschappelijke en kerkelijke vraagstukken te reageren. De bijeenkomsten moesten volgens hem niet alleen de samenwerking tussen bisschoppen versterken, maar konden ook leken aansporen tot georganiseerd katholiek optreden.
Een tweede thema is de band tussen bisschoppen, gelovigen en de paus. Leo XIII benadrukt dat gelovigen zich met hun bisschoppen verbonden behoren te weten en spreekt in het bijzonder over trouw aan de bisschop van Rome. Daarbij verdedigt hij de vrijheid van de paus tegenover wereldlijke macht. In Ipso combineert zo stimulering van gezamenlijk optreden door plaatselijke bisschoppen met een nadrukkelijke bevestiging van het pauselijk primaat.
De historische ontwikkeling van bisschoppenconferenties vond volgens Pallath plaats in een periode waarin het bestuur van de Latijnse Kerk tegelijkertijd sterk door Rome werd gecentraliseerd. Hij beschouwt de negentiende-eeuwse bisschoppenconferenties als een nieuwe mogelijkheid voor onderlinge consultatie en gezamenlijke pastorale actie van bisschoppen, zonder dat zij aanvankelijk over zelfstandige algemene wetgevende bevoegdheid beschikten.
Leo XIII noemt verschillende onderwerpen die tijdens bisschoppenvergaderingen gezamenlijk konden worden behandeld. Een daarvan was de opleiding en vorming van de geestelijkheid. De seminariediscipline moest volgens hem in overeenstemming zijn met de voorschriften van het Concilie van Trente, terwijl ook vroomheid, karaktervorming en hogere studie aandacht moesten krijgen.
Voor het pastoraat onder de gelovigen noemt de encycliek prediking, catechese aangepast aan leeftijd en plaatselijke omstandigheden, religieuze verenigingen, de viering van kerkelijke feestdagen, bescherming van jongeren, deelname aan de sacramenten en de verspreiding van boeken en andere publicaties.
Een afzonderlijke passage behandelt de pers. Leo XIII spoort de Oostenrijkse bisschoppen aan katholieke schrijvers en uitgevers te ondersteunen. In zijn voorstelling moest een katholieke pers tegenwicht bieden aan publicaties die volgens hem schadelijk waren voor geloof en moraal. Plaatselijke katholieke kranten dienden onder leiding van de bisschoppen te staan en door geestelijkheid en gelovigen te worden ondersteund.
De encycliek besteedt ook aandacht aan de positie van arbeiders. Leo XIII verbindt hun situatie uitdrukkelijk met de "sociale kwestie" en stelt dat zowel rechtvaardigheid als naastenliefde de verschillende maatschappelijke groepen behoren te doordringen. Hij roept de bisschoppen op zich in te zetten voor arbeiders en voor verlichting van hun moeilijke omstandigheden.
Deze passage verscheen in een periode waarin de arbeiderskwestie ook in de Oostenrijkse politiek een belangrijk thema was. Tijdens de regering van Eduard Taaffe werd in de jaren 1880 wetgeving ingevoerd die onder meer arbeidstijden in fabrieken en mijnen beperkte, de arbeid van vrouwen en jongeren reguleerde en verplichte ziekte- en ongevallenverzekering voor industriearbeiders invoerde.
In Ipso verscheen ruim twee maanden vóór Leo XIII's bekendere sociale encycliek Rerum Novarum van 15 mei 1891. Anders dan Rerum Novarum is In Ipso niet in hoofdzaak aan de arbeidsverhoudingen gewijd; de arbeiderskwestie vormt er een van de onderwerpen die volgens Leo tijdens het gezamenlijke bisschoppelijke overleg moesten worden behandeld.
In Ipso is in de eerste plaats een bestuurlijk en pastoraal document en geen systematische theologische of filosofische verhandeling. De ecclesiologische uitgangspunten komen vooral naar voren in de beschrijving van de Kerk als een door God ingestelde werkelijkheid, in de verantwoordelijkheid van de bisschoppen voor hun plaatselijke kerken, in hun onderlinge eenheid en in de nadruk op gemeenschap met de paus. Ook verwijst Leo XIII bij de priesteropleiding expliciet naar de kerkelijke traditie zoals vastgelegd door het Concilie van Trente.
Het document gebruikt daarnaast begrippen die vaker in Leo XIII's denken voorkomen, waaronder maatschappelijke orde, het algemeen welzijn, rechtvaardigheid en de sociale verantwoordelijkheid tegenover arbeiders. De bredere intellectuele koers van zijn pontificaat wordt in de historiografie onder meer verbonden met de herleving van het thomisme en de natuurrechtelijke traditie. Robert P. Kraynak beschrijft deze thomistische herleving als een centraal onderdeel van Leo's antwoord op de politieke, wetenschappelijke en industriële moderniteit en wijst daarbij onder meer op het algemeen welzijn, eigendomsrecht en de rechten van arbeiders.
Deze bredere filosofische context moet worden onderscheiden van de tekst van In Ipso zelf. De encycliek bevat geen uitgewerkte thomistische argumentatie en noemt Thomas van Aquino niet. Haar directe doel is praktisch-pastoraal: het bevorderen van gecoördineerd optreden van de Oostenrijkse bisschoppen.
De betekenis van In Ipso ligt vooral in de ontwikkeling van het georganiseerd bisschoppelijk overleg. Het document getuigt van pauselijke ondersteuning voor bisschoppenconferenties in een fase waarin deze nog geen volledig in het algemene kerkelijk recht uitgewerkte bestuursorganen waren. In Oostenrijk sloot de encycliek aan bij een conferentietraditie die sinds 1849 bestond en die vanaf 1885 een regelmatiger institutionele vorm had gekregen.
De encycliek laat daarnaast zien welke onderwerpen aan het einde van de negentiende eeuw door Leo XIII met gezamenlijk episcopaal optreden werden verbonden: kerkelijke autonomie, pauselijke autoriteit, opleiding van geestelijken, catechese, katholieke organisatie en pers, en de sociale positie van arbeiders.