Diuturnum

Deel van de serie over
documenten van de
Heilige Stoel

Constituties, encyclieken,
exhortaties en instructies

Wapen van de Heilige Stoel
op gezag van
de Heilige Stoel
Constituties

Sacrosanctum Concilium
Gaudium et Spes
Lumen Gentium

Encyclieken

Pius IX
Leo XIII
Pius X
Benedictus XV
Pius XI
Pius XII
Johannes XXIII
Paulus VI
Johannes Paulus II
Benedictus XVI
Franciscus

Instructies

Inter Oecumenici
Liturgiam Authenticam
Redemptionis Sacramentum

Diuturnum (Latijn: Diuturnum illud) is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 29 juni 1881, over de oorsprong van het burgerlijke of politieke gezag. De encycliek is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen van de katholieke wereld die in gemeenschap met de Heilige Stoel staan.

Leo XIII verdedigt in het document de opvatting dat het recht om te regeren zijn uiteindelijke oorsprong in God heeft en niet uitsluitend voortkomt uit de wil van het volk. Tegelijk verwerpt hij daarmee niet de verkiezing van regeerders of de keuze tussen verschillende regeringsvormen. Volgens de encycliek kan het volk bepalen wie het gezag uitoefent en welke regeringsvorm het meest geschikt is, zolang het bestuur rechtvaardig is en op het algemeen belang is gericht. Politiek gezag is volgens Leo daarom noch onbeperkt, noch uitsluitend afhankelijk van de wil van de machthebber: overheid en burgers zijn beide aan een hogere morele orde gebonden.

Historische achtergrond

Diuturnum verscheen in een periode van politieke spanningen en snelle veranderingen in Europa. Het pontificaat van Leo XIII begon in 1878, acht jaar nadat de Kerkelijke Staat zijn territoriale zelfstandigheid had verloren. De verhouding tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de liberale en nationale staten van de negentiende eeuw vormde een terugkerend probleem tijdens zijn pontificaat. Historicus Owen Chadwick beschrijft Leo XIII als een paus die de leerstellige continuïteit met zijn voorgangers behield, maar tegelijk meer ruimte zocht voor praktische omgang met de nieuwe politieke verhoudingen.

De onmiddellijke aanleiding die in de opening van de encycliek naar voren komt, is Leo's bezorgdheid over opstanden, politieke gewelddadigheid en aanslagen op Europese vorsten. Hij verwijst naar de recente moord op een machtige keizer. De annotatie bij de moderne editie van de Heilige Stoel identificeert deze verwijzing als de moord op de Russische tsaar Alexander II op 13 maart 1881.

De politieke geschriften van Leo XIII moeten volgens de theoloog John Courtney Murray mede worden gelezen tegen de achtergrond van de conflicten tussen de katholieke kerk en verschillende negentiende-eeuwse vormen van liberalisme en secularisering. Murray benadrukte dat deze polemische context mede bepaalde welke aspecten van gezag, gehoorzaamheid en maatschappelijke orde Leo bijzonder sterk beklemtoonde.

Inhoud en opbouw

De encycliek is geen systematisch politiek-filosofisch traktaat, maar een doctrinaire uiteenzetting waarin Leo XIII achtereenvolgens ingaat op de noodzaak van politiek gezag, de oorsprong ervan, de Schriftuurlijke en historische argumenten voor zijn standpunt, de plichten van regeerders en onderdanen en de verhouding tussen kerk en staat.

Oorsprong van het politieke gezag

Een centraal uitgangspunt van Diuturnum is dat iedere duurzame menselijke samenleving een vorm van gezag nodig heeft. Leo leidt dit niet uitsluitend uit de openbaring af, maar ook uit wat hij beschouwt als de natuurlijke sociale aanleg van de mens. Mensen zijn volgens hem van nature op gemeenschapsleven aangewezen en een politieke gemeenschap kan haar gemeenschappelijke doel niet bereiken zonder een ordenend gezag.

Daaruit volgt volgens de encycliek echter niet dat een bepaalde persoon, dynastie of regeringsvorm rechtstreeks door God is aangewezen. Leo maakt onderscheid tussen de oorsprong van het gezag en de aanwijzing van degene die het gezag uitoefent. Een bevolking kan volgens hem een regeerder kiezen zonder dat daarmee wordt aangenomen dat het gezag zelf uitsluitend door die verkiezing wordt geschapen.

Ook een bepaalde staatsvorm wordt niet als op zichzelf verplicht voorgeschreven. De hoogste macht kan volgens Leo bij één persoon of bij meerdere personen berusten. Een bevolking mag een regeringsvorm kiezen die bij haar omstandigheden, instellingen en gewoonten past, mits rechtvaardigheid en het gemeenschappelijke welzijn worden gerespecteerd. Diuturnum kan daarom niet zonder meer worden gelezen als een verdediging van de monarchie of van het goddelijk recht van koningen. De encycliek verdedigt eerder een goddelijke oorsprong van het politieke gezag als zodanig.

Kritiek op het sociaal contract

Leo XIII keert zich tegen de opvatting dat politieke gemeenschap en politiek gezag hun volledige oorsprong vinden in een vrijwillige overeenkomst tussen oorspronkelijk onafhankelijke individuen. De mens leeft volgens hem niet in politieke gemeenschap omdat individuele mensen op een bepaald moment hun oorspronkelijke zelfstandigheid hebben opgegeven, maar omdat gemeenschapsleven in de menselijke natuur ligt besloten.

De encycliek richt zich daarmee tegen bepaalde moderne theorieën van het sociaal contract. De annotatie bij de Vaticaanse editie noemt uitdrukkelijk Jean-Jacques Rousseau als vertegenwoordiger van de theorie waartegen Leo argumenteert. Leo verzet zich vooral tegen de conclusie dat het volk als collectieve wil de laatste en onbeperkte bron van alle politieke macht zou zijn. Dat onderscheid is van belang omdat de encycliek verkiezingen of volksdeelname als wijze van aanwijzing van machtsdragers niet uitsluit.

Bijbelse en patristische argumentatie

Voor de goddelijke oorsprong van gezag beroept Diuturnum zich zowel op het Oude Testament als op het Nieuwe Testament. Onder de aangehaalde passages bevinden zich Spreuken 8:15–16, Wijsheid 6:3–4, Johannes 19:11 en vooral Romeinen 13:1–4, waar Paulus schrijft dat er geen gezag is dat niet van God komt.

De encycliek verwijst daarnaast naar verschillende kerkvaders. Augustinus van Hippo wordt aangehaald voor de gedachte dat de macht om rijken en regeringen tot stand te brengen uiteindelijk aan God toekomt. Ook Johannes Chrysostomus en Gregorius de Grote worden aangevoerd ter ondersteuning van de opvatting dat het bestaan van gezagsverhoudingen niet als louter toeval moet worden beschouwd.

Leo gebruikt daarnaast het gedrag van de eerste christenen onder niet-christelijke Romeinse keizers als historisch-theologisch voorbeeld. Volgens zijn voorstelling gehoorzaamden christenen de burgerlijke overheid in wereldlijke zaken, maar weigerden zij bevelen uit te voeren die rechtstreeks in strijd waren met hun geloof. Daarmee dient de vroege kerk in de encycliek zowel als voorbeeld van politieke gehoorzaamheid als van de begrenzing daarvan.

Gehoorzaamheid en grenzen aan de overheid

Aan het politieke gezag beantwoordt volgens Diuturnum een morele plicht tot gehoorzaamheid. Omdat gezag in de morele orde uiteindelijk op God wordt betrokken, is gehoorzaamheid voor Leo niet alleen een kwestie van dwang of praktisch belang, maar ook van geweten.

Deze gehoorzaamheid is echter niet onvoorwaardelijk. Wanneer een overheid iets beveelt wat duidelijk strijdig is met de natuurlijke of goddelijke wet, geldt volgens Leo de christelijke regel dat men “God meer moet gehoorzamen dan de mensen”, een verwijzing naar Handelingen 5:29. Een menselijke wet of bevel dat de grenzen van de goddelijke en natuurlijke morele orde overschrijdt, bezit volgens de redenering van de encycliek niet dezelfde aanspraak op gehoorzaamheid.

Ook de regeerder zelf wordt aan morele normen gebonden. Politieke macht bestaat volgens Leo niet ten voordele van de machthebber, maar voor degenen over wie hij regeert. Bestuur behoort daarom rechtvaardig, betrouwbaar en gericht op het algemeen welzijn te zijn. De goddelijke oorsprong van gezag fungeert in de encycliek dus niet alleen als rechtvaardiging van gehoorzaamheid, maar eveneens als norm waaraan de uitoefening van macht wordt getoetst.

Kerk en burgerlijk gezag

In het laatste deel van de encycliek beschrijft Leo XIII de Kerk als een factor die politieke orde kan ondersteunen doordat zij zowel regeerders als burgers aan morele verplichtingen herinnert. Hij stelt dat zuiver burgerlijke aangelegenheden onder het gezag van de burgerlijke overheid vallen. Waar geestelijke en wereldlijke aangelegenheden elkaar raken, pleit hij voor overeenstemming tussen de kerkelijke en burgerlijke macht.

Tegelijk verwerpt de encycliek tirannie. De Kerk wordt door Leo voorgesteld als een instelling die regeerders tot rechtvaardigheid aanspoort en burgers tot gehoorzaamheid aan rechtmatig gezag, zonder daardoor iedere concrete handeling van een overheid te legitimeren.

Theologische en filosofische grondslag

De argumentatie van Diuturnum combineert theologische en natuurrechtelijke redeneringen. Theologisch wordt God opgevat als schepper, wetgever en uiteindelijke bron van legitiem gezag. Politieke macht maakt daarmee deel uit van een morele orde die zowel regeerders als geregeerden overstijgt. Vanuit dit uitgangspunt kan geen menselijke machthebber volgens de encycliek aanspraak maken op een onbeperkte soevereiniteit.

Antropologisch vertrekt Leo vanuit de natuurlijke sociabiliteit van de mens. Het politieke leven wordt niet gezien als een kunstmatige toevoeging aan een oorspronkelijk volledig geïsoleerd menselijk bestaan, maar als voortvloeiend uit de sociale menselijke natuur. De overheid heeft binnen deze opvatting als doel individuele belangen te ordenen naar het gemeenschappelijke welzijn.

Ook epistemologisch gebruikt de encycliek twee soorten argumenten. Enerzijds beroept Leo zich op Schrift, kerkelijke traditie en kerkvaders; anderzijds stelt hij dat dezelfde beginselen door het “natuurlijke licht van de rede” (lumen naturale rationis) kunnen worden ingezien. Daarmee wordt politiek gezag niet uitsluitend als een geloofswaarheid gepresenteerd, maar tevens als een onderdeel van de natuurlijke morele orde.

De natuurrechtelijke benadering van Diuturnum past binnen de bredere herwaardering van de filosofie van Thomas van Aquino die Leo XIII twee jaar eerder met de encycliek Aeterni Patris (1879) had bevorderd. Chadwick beschouwt die herwaardering als een belangrijk onderdeel van Leo's intellectuele programma. Robert P. Kraynak beschrijft de thomistische herleving eveneens als een centraal element van Leo's antwoord op de politieke en intellectuele moderniteit, waarbij natuurrecht en het algemeen welzijn een belangrijke plaats innamen.

Interpretatie en receptie

Diuturnum werd onderdeel van een bredere reeks teksten waarin Leo XIII de verhouding tussen katholicisme, staat en moderne politieke instituties behandelde. Latere encyclieken zoals Immortale Dei (1885) over de christelijke inrichting van staten en Libertas (1888) over menselijke vrijheid werkten verschillende onderdelen van deze politieke leer verder uit.

In de twintigste-eeuwse katholieke politieke theologie werd gediscussieerd over de vraag in hoeverre Leo's uitspraken als een volledig uitgewerkte politieke theorie moesten worden gelezen. Murray waarschuwde ervoor Diuturnum als een volledige samenvatting van Leo's staatsleer te behandelen. Volgens hem bevat de encycliek een aantal gezaghebbende beginselen, maar is zij tegelijk een document dat reageert op concrete negentiende-eeuwse controverses. In zijn analyse van Leo's staatsleer wees Murray onder meer op het sterke accent op de gehoorzaamheid van de burger en op de vaderlijke voorstelling van goed bestuur, die hij mede verklaarde uit Leo's polemiek tegen een door Rousseau beïnvloede opvatting van volkssoevereiniteit.

Niet alle onderzoekers leggen hetzelfde accent. De rechtsfilosoof Julio Alvear Téllez verdedigt een uitgesproken “anti-moderne” lezing van het bredere politieke corpus van Leo XIII. Hij benadrukt sterker dan Murray de systematische tegenstelling die Leo volgens hem construeerde tussen het christelijke natuurrechtelijke denken en moderne theorieën waarin staat, recht en politieke soevereiniteit losgemaakt worden van een transcendente morele orde. De verschillende interpretaties illustreren dat zowel de historische context als de normatieve inhoud van Leo's politieke geschriften onderwerp van wetenschappelijk debat zijn.

Een aantal centrale uitspraken uit Diuturnum bleef onderdeel van de latere katholieke sociale leer. De Catechismus van de Katholieke Kerk verwijst in paragraaf 1898 expliciet naar Diuturnum illud en Immortale Dei bij de stelling dat iedere menselijke gemeenschap een gezag nodig heeft, dat zijn grondslag vindt in de menselijke natuur en het algemeen welzijn moet dienen.

Zie ook

Zie de categorie Diuturnum van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.