| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Quae ad nos is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 22 november 1902 over de toestand van de Rooms-Katholieke Kerk in Bohemen en Moravië. De encycliek was gericht aan kardinaal Skrbenský, aartsbisschop van Praag, en aan de overige aartsbisschoppen en bisschoppen van beide gebieden.
In de korte brief uit Leo XIII zijn bezorgdheid over wat hij beschouwde als een toenemende verwijdering van katholieke riten en godsdienstige praktijk. Hij riep de bisschoppen op gezamenlijk te overleggen over de verdediging van het katholieke geloof en waarschuwde tevens tegen partijzucht en verdeeldheid binnen de geestelijkheid.
Quae ad nos verscheen tegen de achtergrond van sterke politieke en nationale spanningen in de Boheemse landen van de late Habsburgse monarchie. Vooral de verhouding tussen Tsjechisch- en Duitstalige bevolkingsgroepen leidde tot conflicten over onder meer taalgebruik en politieke vertegenwoordiging. Ook binnen katholieke instellingen werkten deze tegenstellingen door. Historicus Michael L. Miller beschrijft de katholieke kerk in deze periode als een instelling met een supranationaal zelfbeeld, terwijl op plaatselijk niveau de spanningen tussen Tsjechen en Duitsers aanzienlijk konden zijn.
Leo XIII had zich reeds eerder rechtstreeks met deze problematiek beziggehouden. Op 20 augustus 1901 publiceerde hij Reputantibus, een encycliek over de taalstrijd in Bohemen. Daarin stelde hij dat de Kerk zich niet met een burgerlijk geschil over taalrechten moest vereenzelvigen en riep hij Tsjechische en Duitse katholieken op hun nationale tegenstellingen ondergeschikt te maken aan hun religieuze verbondenheid. Ook volgens Miller had Leo XIII de kerkelijke leiding in Bohemen en Moravië in 1901 aangespoord de vrede tussen de nationaliteiten te bevorderen en geestelijken buiten de taalstrijd te houden.
Naast de nationaliteitskwestie bestonden binnen het Tsjechische katholicisme discussies over kerkelijke en maatschappelijke hervormingen. Volgens kerkhistoricus Tomáš Petráček werd in mei 1902 de Land Unity of the Bohemian Catholic Clergy opgericht, een organisatie van katholieke geestelijken die erkenning kreeg van zowel kerkelijke als staatsautoriteiten. De hervormingsbeweging waaruit zij voortkwam hield zich bezig met sociale, nationale en kerkelijke kwesties. Er is echter geen grond om zonder aanvullende bron aan te nemen dat Quae ad nos specifiek tegen deze organisatie was gericht.
Aan het begin van de encycliek verklaarde Leo XIII dat berichten over de toestand van de bisdommen in Bohemen en Moravië hem zorgen baarden. Hij sprak over een volgens hem grote groep mensen die zich verwijderde van katholieke riten en praktijken. De bisschoppen werden daarom aangespoord alle passende middelen aan te wenden om het geloof in hun bisdommen te beschermen.
De paus erkende tegelijkertijd dat de omstandigheden per bisdom verschilden en dat daarom niet overal dezelfde maatregelen konden worden toegepast. Omdat hij het gevaar als gemeenschappelijk beschouwde, achtte hij onderlinge communicatie en een gezamenlijke koers van de bisschoppen noodzakelijk. Hij verlangde dat de bisschoppen van Bohemen en Moravië zo spoedig mogelijk bijeenkwamen om over maatregelen ter bescherming van het geloof te beraadslagen. Hun beraadslagingen en besluiten moesten vervolgens aan de Heilige Stoel worden voorgelegd voor apostolische goedkeuring.
Een afzonderlijk aandachtspunt was de verdeeldheid binnen de geestelijkheid. Leo XIII vroeg de bisschoppen nadrukkelijk de partijzucht onder de clerus tegen te gaan, omdat deze volgens hem de onderlinge eenheid verzwakte juist op een ogenblik waarop samenwerking nodig was.
Quae ad nos bevat geen uitvoerige systematische uiteenzetting van dogmatische of filosofische aard. De argumentatie is voornamelijk pastoraal en bestuurlijk. De bisschoppen worden voorgesteld als herders die hun opdracht van Christus hebben ontvangen en daarom verantwoordelijkheid dragen voor het behoud van het geloof in hun bisdommen. De tekst bevat geen expliciete verwijzingen naar afzonderlijke Bijbelverzen en ontwikkelt geen zelfstandige filosofische theorie.
Een centraal motief is kerkelijke eenheid. Zowel het onderlinge overleg tussen de bisschoppen als het bestrijden van partijvorming binnen de clerus staat in dienst van een gezamenlijk kerkelijk optreden. In dit opzicht sluit de encycliek aan bij Reputantibus, waarin Leo XIII een jaar eerder had benadrukt dat nationale en taalkundige tegenstellingen de religieuze eenheid van katholieken niet mochten aantasten.
De encycliek behoort tot de laatste jaren van het pontificaat van Leo XIII. Zijn pontificaat werd in bredere zin gekenmerkt door pogingen om de positie van de katholieke kerk tegenover de politieke, sociale en intellectuele ontwikkelingen van de moderne wereld opnieuw te bepalen.
Voor de Boheemse landen betekende die opstelling onder meer dat de paus probeerde te voorkomen dat nationale conflicten de eenheid van de katholieke kerk zouden ondermijnen. De verhouding tussen nationale mobilisering, katholieke identiteit en hervormingsbewegingen onder de geestelijkheid bleef in de eerste jaren van de twintigste eeuw echter gespannen.