| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Reputantibus (Latijnse incipit: Reputantibus saepe) is een pauselijk schrijven van paus Leo XIII van 20 augustus 1901 over het taalvraagstuk in Bohemen en Moravië, destijds kroonlanden van het Oostenrijkse deel van Oostenrijk-Hongarije. De brief is gericht aan Theodor Kohn, aartsbisschop van Olomouc, en aan de overige aartsbisschoppen en bisschoppen van Bohemen en Moravië.
De documentsoort wordt niet in alle uitgaven op dezelfde manier aangeduid. De Engelstalige editie van de Heilige Stoel noemt Reputantibus een encycliek, terwijl de officiële Latijnse documentindex van Leo XIII Reputantibus saepe onder de Epistulae (brieven) opneemt. Kerkhistorica Jitka Jonová schrijft dat Kohn Leo XIII oorspronkelijk om een encycliek over het nationaliteitenvraagstuk had gevraagd, maar dat uiteindelijk een apostolische brief werd uitgevaardigd.
Aan het einde van de 19e eeuw was het gebruik van het Tsjechisch en het Duits in Bohemen en Moravië een belangrijk politiek geschilpunt binnen de Habsburgse monarchie. In april 1897 vaardigde de Oostenrijkse minister-president Kasimir Felix Badeni taalverordeningen uit die de positie van het Tsjechisch in het bestuur van Bohemen moesten versterken. De eerste verordening bepaalde dat Duits en Tsjechisch in het Boheemse bestuur gelijk behandeld moesten worden, ook in de interne administratie. Volgens een tweede verordening zouden ambtenaren die vanaf 1901 in Bohemen werden aangesteld hun beheersing van beide talen moeten aantonen. Voor Moravië volgden vergelijkbare bepalingen.
De verordeningen leidden tot hevig verzet onder Duitstalige politieke groeperingen en tot een ernstige politieke crisis in het Oostenrijkse deel van de dubbelmonarchie. De strijd rond de taalverordeningen ging gepaard met obstructie in de Rijksraad, straatdemonstraties en een verdere radicalisering van nationalistische tegenstellingen.
Ook binnen de katholieke kerk in Moravië waren de verhoudingen tussen Tsjechen en Duitsers gespannen. De loopbaan van aartsbisschop Theodor Kohn speelde zich volgens historicus Michael L. Miller af tegen de achtergrond van de toenemende Tsjechisch-Duitse tegenstelling, spanningen binnen de katholieke kerk en groeiend antisemitisme. Jonová beschrijft de nationalistische conflicten tussen Tsjechen en Duitsers als een van de problemen waarmee Kohn rond de eeuwwisseling werd geconfronteerd: vertegenwoordigers van beide bevolkingsgroepen verweten hem onvoldoende voor hun belangen op te komen.
Kohn probeerde de nationalistische conflicten binnen zijn kerkprovincie te verminderen en verzocht Leo XIII om een encycliek over het nationaliteitenvraagstuk. Volgens Jonová hoopte hij dat zo'n document een invloed zou kunnen hebben die vergelijkbaar was met die van Rerum Novarum op sociaal gebied. Leo XIII vroeg Kohn materiaal voor het voorgenomen document bijeen te brengen. Uiteindelijk werd volgens Jonová geen encycliek in de door Kohn gevraagde vorm uitgevaardigd, maar een apostolische brief.
Kardinaal-staatssecretaris Mariano Rampolla del Tindaro liet kardinaal Lev Skrbenský weten dat de paus had besloten de brief, in verband met Kohns initiatief, aan Kohn samen met de andere bisschoppen van Bohemen en Moravië te richten. De Latijnse tekst werd gepubliceerd in deel 34 van de Acta Sanctae Sedis, op de bladzijden 321–325, onder het opschrift Litterae ad Ordinarios Bohemiae et Moraviae quoad linguarum quaestionem (“Brief aan de ordinarissen van Bohemen en Moravië betreffende het taalvraagstuk”).
Leo XIII begint met de vaststelling dat interne verdeeldheid de katholieke gemeenschap in Bohemen en Moravië verzwakte. Hij noemt met name de verschillende talen die de inwoners volgens hun afkomst spraken als een belangrijke oorzaak van onenigheid. Tegelijk erkent hij de gehechtheid aan de van de voorouders overgeleverde taal als iets natuurlijks.
De paus verklaart uitdrukkelijk dat hij het politieke taalgeschil zelf niet wil beslechten. Het behoud van de eigen taal acht hij geoorloofd zolang dit binnen bepaalde grenzen blijft. Zoals bij andere individuele rechten mag de uitoefening ervan volgens hem het algemeen welzijn niet schaden. Aan het staatsbestuur kent hij de taak toe de rechten van individuele burgers te beschermen en tegelijkertijd het gemeenschappelijk welzijn te waarborgen.
Daarna verschuift de brief van het burgerlijke naar het kerkelijke terrein. Leo XIII stelt dat zijn eigen verantwoordelijkheid erin bestaat te voorkomen dat het taalconflict de godsdienst schaadt. Katholieken van verschillende herkomst en taal moeten volgens hem voorrang geven aan de onderlinge verbondenheid die voortkomt uit het gemeenschappelijke geloof en de sacramenten. De brief beroept zich daarbij op de eenheid van de gedoopten in Christus en op het ideaal van “één hart en één ziel”.
Een bijzondere verantwoordelijkheid wordt bij de geestelijkheid gelegd. Priesters moeten zich volgens Leo XIII niet in de nationale twisten mengen en zeker in gebieden met verschillende taal- of bevolkingsgroepen elke schijn van partijschap vermijden. De gelovigen moeten kunnen zien dat kerkelijke bedienaren zich in de eerste plaats met hun geestelijk welzijn bezighouden. Ook de priesteropleiding krijgt aandacht: in de seminaries moeten onderlinge vijandschap en nationale verdeeldheid worden tegengegaan en moet de onderlinge christelijke liefde worden bevorderd.
Ten slotte roept Leo XIII priesters op de gelovigen ervan te weerhouden bij het verdedigen van de rechten van hun eigen bevolkingsgroep de grenzen van rechtvaardigheid en het algemeen welzijn te overschrijden. Christelijke naastenliefde mag volgens de brief niet worden beperkt tot mensen van dezelfde taal of afkomst. Daarbij verwijst Leo XIII onder meer naar het Evangelie volgens Matteüs 5:46–47, Romeinen 10:12, Filippenzen 3:17 en 1 Petrus 1:22.
De theologische argumentatie van Reputantibus concentreert zich op de kerkelijke eenheid van christenen boven verschillen van taal en afkomst. De gemeenschappelijke doop, het geloof en de sacramenten vormen in de redenering van Leo XIII een band die de onderlinge tegenstelling tussen nationale groepen behoort te overstijgen. Christelijke liefde wordt daarbij voorgesteld als universeel en kan volgens de paus niet worden beperkt tot de eigen taal- of bevolkingsgroep.
Op maatschappelijk en ethisch terrein brengt de brief het behoud van de eigen taal in verband met individuele rechten, maar behandelt hij die rechten niet als absoluut. Zij worden begrensd door rechtvaardigheid en het algemeen welzijn. De burgerlijke overheid dient volgens Leo XIII zowel individuele rechten te beschermen als het gemeenschappelijk belang van de staat te waarborgen. De paus maakt daarbij een onderscheid tussen de taak van de burgerlijke overheid, die het politieke taalgeschil moet behandelen, en zijn eigen kerkelijke taak om te voorkomen dat dit geschil de godsdienstige eenheid aantast.
Volgens Jonová had de pauselijke brief geen grote invloed op de nationalistische tegenstellingen. De spanningen bleven ook zichtbaar in de organisatie van het katholieke leven in het aartsbisdom Olomouc. In hetzelfde jaar organiseerde Kohn afzonderlijke katholieke congressen voor de twee taalgroepen: een Tsjechisch congres in Kroměříž van 25 tot 27 augustus 1901 en een Duits congres in Olomouc van 7 tot 9 september.
Jonová schrijft dat juist de gecompliceerde nationaliteitensituatie Kohn ertoe bracht het congres voor de Tsjechische en Duitse bevolking afzonderlijk te organiseren. Beide bijeenkomsten kenden een grote opkomst en behielden volgens haar in hoofdzaak een kerkelijk karakter, maar dit verhinderde niet dat Kohns positie in zijn aartsbisdom verder verslechterde.