| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Quod votis is een encycliek van paus Leo XIII, gedateerd 30 april 1902, waarin hij zijn instemming betuigde met het plan voor een vrije katholieke universiteit in Salzburg. Het universiteitsplan maakte deel uit van een langer lopend debat over katholiek hoger onderwijs en de verhouding tussen kerkelijke invloed en academische autonomie in Oostenrijk-Hongarije.
Leo XIII sprak in de encycliek zijn volledige goedkeuring uit over de plannen van de betrokken bisschoppen, moedigde de gelovigen aan de verwezenlijking ervan te ondersteunen en bepaalde dat de institutionele uitwerking aan de toenmalige Congregatie voor de Studies (Congregatio Studiorum) moest worden voorgelegd. De beoogde katholieke universiteit kwam niet tot stand. Salzburg kreeg uiteindelijk in 1962 opnieuw een universiteit, als staatsuniversiteit.
Salzburg had een universitaire traditie die terugging tot de door aartsbisschop Paris Lodron in 1622 opgerichte universiteit. Deze instelling werd in 1810 opgeheven. In de negentiende eeuw werden herhaaldelijk pogingen ondernomen om opnieuw een universiteit in Salzburg te vestigen.
In 1884 diende de conservatieve Salzburger politicus Georg Lienbacher in de landdag een voorstel in om de voormalige universiteit te herstellen in de vorm van een vrije katholieke hogeschool. In hetzelfde jaar werd een vereniging opgericht voor de stichting en instandhouding van een vrije katholieke universiteit in Salzburg. Deze katholieke universiteitsbeweging bleef in de daaropvolgende jaren actief.
In 1901 kreeg het plan officiële steun van de Oostenrijkse bisschoppen. Volgens historicus Jan Surman was de voorgestelde universiteit bedoeld als een tegenwicht tegen de als seculier beschouwde staatsuniversiteiten. De instelling zou onafhankelijk van de staat zijn en voornamelijk uit particuliere katholieke middelen worden gefinancierd. Surman karakteriseert een belangrijk doel van het project als de vorming van katholieke kaders. Hoewel een meertalige en multiculturele universiteit werd voorgesteld en de bisschoppen uit verschillende delen van Oostenrijk het plan steunden, vond het volgens hem vooral weerklank in de Duitstalige delen van de monarchie.
Tegenover het katholieke initiatief stond onder meer de in mei 1901 opgerichte Salzburger Hochschulverein. Deze organisatie keerde zich tegen een confessionele universiteit en pleitte voor een door de staat gefinancierde universiteit in Salzburg. Ook liberale katholieken uitten bezwaren tegen het afzonderlijke katholieke universiteitsproject.
Quod votis was gericht aan Anton Josef kardinaal Gruscha, aartsbisschop van Wenen; Georg kardinaal Kopp, bisschop van Breslau; Leo kardinaal Skrbenský, aartsbisschop van Praag; Jan kardinaal Puzyna, bisschop van Krakau; en de overige aartsbisschoppen en bisschoppen van Oostenrijk.
Aan het begin van de encycliek verwees Leo XIII naar de al jarenlang bestaande wens van de voorgangers van de geadresseerde bisschoppen om een katholieke universiteit tot stand te brengen. Volgens de paus hadden de bisschoppen hem meegedeeld dat vrijwel alles wat voor de stichting noodzakelijk was inmiddels beschikbaar was en dat het project de voltooiing naderde. Hij verklaarde daarop met volledige instemming met hun plannen akkoord te gaan.
Leo XIII spoorde de bisschoppen aan de gelovigen tot verdere steun aan te moedigen en sprak zijn vertrouwen uit in de vrijgevigheid van degenen voor wie de universiteit bestemd was. De concrete institutionele regelingen liet hij aan de bisschoppen over. Zodra deze waren uitgewerkt, moesten zij aan de Congregatie voor de Studies worden voorgelegd. Deze congregatie had volgens de encycliek de taak normen vast te stellen voor katholieke onderwijsinstellingen overeenkomstig het kerkelijk recht.
De tekst bevat geen uitgewerkte statuten voor de universiteit en vermeldt evenmin dat de instelling op dat moment daadwerkelijk werd geopend. De Vaticaanse Engelse editie bestaat, afgezien van adressering en slotformule, uit twee genummerde paragrafen.
De encycliek zelf bevat geen citaten uit de Heilige Schrift en noemt geen filosofische auteurs. Zij geeft evenmin een afzonderlijke uiteenzetting over bijvoorbeeld thomisme, epistemologie of een systematische verhouding tussen geloof en rede. De expliciete inhoud betreft de goedkeuring van het katholieke universiteitsproject, de ondersteuning ervan door bisschoppen en gelovigen en het kerkelijke toezicht op de toekomstige instelling.
In de historische literatuur wordt het universiteitsplan wel geplaatst binnen een breder conflict over de verhouding tussen katholieke geloofsovertuigingen en de autonomie van wetenschap en hoger onderwijs. Surman beschrijft het project als een poging een katholiek tegenwicht te vormen tegen seculiere academische instellingen. Judith Beniston plaatst de discussie eveneens binnen katholieke pogingen om meer invloed op het onderwijs uit te oefenen. Zij wijst er daarbij op dat binnen deze beweging ook bezorgdheid bestond over wetenschappelijke denkbeelden, waaronder het darwinisme, die als strijdig met de katholieke leer werden beschouwd. Quod votis zelf bespreekt het darwinisme echter niet.
Ook binnen het katholicisme bestond kritiek op het project. De Weense kerkhistoricus Albert Ehrhard vreesde volgens Surman dat een afzonderlijke katholieke universiteit het katholieke intellectuele leven van de algemene wetenschappelijke en culturele wereld zou isoleren. Hij gaf de voorkeur aan katholieke aanwezigheid binnen bestaande instellingen. Ook andere liberale katholieken, onder wie de rechtsgeleerde Ludwig Wahrmund, vreesden dat kerkelijke invloed ten koste zou kunnen gaan van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Daarmee raakte het debat rond de voorgestelde universiteit aan een bredere discussie over confessionele identiteit en wetenschappelijke vrijheid.
Het universiteitsplan ondervond daarnaast tegenstand van liberale en antiklerikale kringen. Surman vermeldt dat de liberale Neue Freie Presse in december 1901 uitvoerig schreef over de praktische en juridische bezwaren tegen een dergelijke universiteit. De pauselijke instemming in Quod votis maakte aan deze controverse geen einde.
De plannen leidden uiteindelijk niet tot de stichting van de beoogde vrije katholieke universiteit. Surman verbindt het langdurige uitblijven van een universiteit in Salzburg mede met de terughoudendheid van Oostenrijkse regeringen om de bestaande confessionele tegenstellingen verder te verscherpen. Pas in 1962 kreeg Salzburg opnieuw een universiteit. Deze werd als staatsuniversiteit opgericht en was daarmee niet de vrije katholieke universiteit waarvoor in de late negentiende en vroege twintigste eeuw campagne was gevoerd.