| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Iampridem is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 6 januari 1886 en gericht aan de aartsbisschoppen en bisschoppen van Pruisen. Het document behandelt de toestand van de Rooms-Katholieke Kerk in Duitsland tijdens de laatste fase van de Kulturkampf.
In de encycliek verdedigt Leo XIII de zelfstandige bevoegdheid van de Kerk over haar interne bestuur en in het bijzonder over de opleiding en benoeming van geestelijken. Tegelijk spoort hij katholieken aan hun burgerlijke verplichtingen na te komen en trouw te blijven aan het staatsgezag voor zover dit niet strijdig is met wat hij als goddelijke wet en gewetensplicht beschouwt. Het document bouwt daarbij expliciet voort op de kort daarvoor verschenen encycliek Immortale Dei, waarin Leo XIII zijn leer over de verhouding tussen Kerk en staat had uiteengezet.
De Kulturkampf was een conflict tussen de Pruisische en Duitse overheid enerzijds en de Katholieke Kerk anderzijds, dat vooral in de jaren 1870 tot scherpe confrontaties leidde. Onder rijkskanselier Otto von Bismarck en zijn liberale bondgenoten werden maatregelen genomen die onder meer betrekking hadden op katholiek onderwijs, de opleiding en aanstelling van geestelijken, religieuze orden en het overheidstoezicht op kerkelijke aangelegenheden. Bisschoppen en priesters die zich tegen een deel van deze wetgeving verzetten, konden met boetes, gevangenschap of verbanning worden geconfronteerd.
Het conflict betekende niet zonder meer dat Duitse katholieken zich van de nieuwe Duitse staat afkeerden. Historisch onderzoek naar het katholicisme in het Duitse Keizerrijk heeft benadrukt dat katholieken tijdens de Kulturkampf tegenover het regeringsbeleid een eigen katholieke opvatting van nationale verbondenheid ontwikkelden en tegelijk aanspraak bleven maken op een plaats binnen de Duitse natie. Dit vormt de achtergrond van Leo's nadruk in Iampridem op zowel kerkelijke trouw als respect voor vorst en vaderland.
Onder Leo XIII werd gezocht naar een diplomatieke beëindiging van het conflict. Kerkhistoricus Owen Chadwick karakteriseert de beëindiging van de Kulturkampf als het resultaat van een compromis tussen beide zijden. Toen Iampridem begin 1886 verscheen, waren onderhandelingen en andere diplomatieke pogingen al gaande. In mei 1886 en april 1887 volgden de zogeheten vredeswetten, die een belangrijk onderdeel vormden van de afbouw van de Kulturkampf.
Aan het begin van de encycliek prijst Leo XIII de Pruisische bisschoppen en de Duitse katholieken vanwege hun trouw aan de Kerk tijdens de voorafgaande conflicten. Volgens hem hadden de beperkende wetten geleid tot een vermindering van het aantal beschikbare priesters en ertoe bijgedragen dat parochies zonder pastorale leiding kwamen te zitten.
Leo verklaart dat hij herstel van de vrede tussen de Heilige Stoel en de Pruisische overheid nastreeft. Hij zegt bereid te zijn rekening te houden met wensen van de wereldlijke machthebbers, maar verbindt daaraan de voorwaarde dat dit verenigbaar moet zijn met de goddelijke wet en het geweten. Wetgeving die volgens hem strijdig was met de katholieke leer of die de vrijheid van de bisschoppen bij het bestuur van hun bisdommen en de opleiding van geestelijken beperkte, diende te worden gewijzigd of ingetrokken.
Een groot gedeelte van Iampridem betreft de bevoegdheid van de bisschoppen over de opleiding van toekomstige priesters. Leo XIII stelt dat het onderricht, de geestelijke vorming en de beoordeling van kandidaten voor het priesterschap tot de eigen verantwoordelijkheid van de bisschoppen behoren.
Hij beroept zich hierbij op de kerkelijke traditie, onder andere op het Concilie van Trente, dat regels voor de inrichting van seminaries had vastgesteld. Ook verwijst hij naar de bul De salute animarum van paus Pius VII uit 1821, die na overleg met de Pruisische koning de kerkelijke organisatie in Pruisen mede had geregeld. De gespecialiseerde Pacelli-Editie vat dit onderdeel van de encycliek samen als een verdediging van de kerkelijke verantwoordelijkheid voor de priesteropleiding tegen ingrijpen door de staat.
De aanspraak op kerkelijke vrijheid wordt in Iampridem gecombineerd met een nadruk op burgerlijke plichten. Leo XIII stelt dat zijn eisen de waardigheid en het gezag van de wereldlijke overheid niet hoeven aan te tasten. Hij verwijst daarbij naar Romeinen 13:5 en betoogt dat katholieken het rechtmatige gezag dienen te respecteren, hun publieke verplichtingen moeten nakomen en zich van samenzweringen en gewelddadige politieke agitatie moeten onthouden.
Deze combinatie van kerkelijke onafhankelijkheid en burgerlijke loyaliteit past in een breder vraagstuk binnen het negentiende-eeuwse katholicisme over de verhouding tussen religieuze universaliteit, staatsgezag, vaderlandsliefde en nationalisme. Religiewetenschapper Steven Grosby behandelt de Kulturkampf als een belangrijk voorbeeld van deze spanning: katholieke oppositie tegen staatsinmenging betekende volgens deze benadering niet noodzakelijk een afwijzing van nationale verbondenheid.
Leo XIII besteedt tevens aandacht aan wat hij de arbeiderskwestie noemt. Hij beschouwt sociale onrust als een gevaar voor de maatschappelijke orde en schrijft aan priesters een rol toe bij de pastorale begeleiding van arbeiders en andere lagere maatschappelijke groepen. Volgens de encycliek kon de nabijheid van geestelijken tot deze bevolkingsgroepen bijdragen aan het verminderen van sociale spanningen en het tegengaan van revolutionaire agitatie.
Dit gedeelte is beknopter dan de systematische behandeling van arbeid en sociale verhoudingen die Leo XIII vijf jaar later zou geven in Rerum Novarum.
Aan het einde van de encycliek bespreekt Leo XIII ook de toen recente Duitse koloniale expansie. Hij verwijst naar de Duitse bezittingen in Zuidwest-Afrika en bepleit dat katholieke missionarissen daar vrij hun werkzaamheden zouden kunnen verrichten. In de tekst verbindt hij missieactiviteit met zowel evangelisatie als een door de negentiende-eeuwse Europese koloniale context bepaalde opvatting van beschaving.
Leo maakt daarbij onderscheid tussen missionaire en wereldlijke middelen: de religieuze verkondiging beschouwt hij niet als een taak van legers, burgerlijke magistraten of veroveraars, maar van missionarissen van de Kerk.
Een centraal theologisch uitgangspunt van Iampridem is de opvatting van de Kerk als een bovennatuurlijke en in haar eigen orde volkomen gemeenschap. Leo XIII verwijst hiervoor uitdrukkelijk naar Immortale Dei, die op 1 november 1885 was gepubliceerd. De Pacelli-Editie duidt dit als de leer van de Kerk als societas perfecta.
Binnen deze opvatting bezit de Kerk op haar eigen terrein bevoegdheden die zij niet aan de staat ontleent. In Iampridem wordt dit vooral toegepast op kerkelijk bestuur, de discipline van de clerus, seminaries en de benoeming van geestelijken. Het pauselijk primaat en het bisschoppelijk gezag worden daarbij theologisch gefundeerd in de opdracht die Christus volgens de katholieke leer aan Petrus, diens opvolgers en de bisschoppen heeft gegeven.
Deze leer betekent in het document niet dat de staat als zodanig wordt afgewezen. Leo maakt juist onderscheid tussen kerkelijke en wereldlijke bevoegdheden en verbindt de aanspraak van de Kerk op vrijheid met de plicht van katholieken om rechtmatig burgerlijk gezag te erkennen.
De argumentatie van de encycliek steunt zowel op de Bijbel als op kerkelijke traditie. Voor de burgerlijke gehoorzaamheid gebruikt Leo XIII Romeinen 13:5. Voor het kerkelijk leer- en bestuursgezag verwijst de tekst naar de door Christus gegeven zending van Petrus en de bisschoppen. Daarnaast worden oudere kerkelijke bronnen aangehaald om de verantwoordelijkheid van de bisschoppen voor de geestelijkheid te onderbouwen.
Voor de inrichting van de priesteropleiding beroept Leo zich onder andere op oude conciliaire bepalingen en vooral op het Concilie van Trente. Het beroep op De salute animarum van Pius VII verbindt deze algemene kerkelijke argumentatie bovendien met de concrete geschiedenis van de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en Pruisen.
Iampridem verscheen tijdens de diplomatieke eindfase van de Kulturkampf. De kritische Pacelli-Editie beschouwt de encycliek als een uitdrukking van de hoop van Leo XIII dat de situatie van de katholieken in Duitsland kon worden genormaliseerd, juist omdat op het moment van publicatie al diplomatieke pogingen tot een vergelijk onderweg waren.
De encycliek was daarmee zowel een verdediging van kerkelijke bevoegdheden als een verzoenend signaal richting de Pruisische staat. Leo bleef aanspraak maken op vrijheid voor bisschoppen, seminaries en geestelijken, maar koppelde die aanspraken aan nadrukkelijke verklaringen over burgerlijke loyaliteit en maatschappelijk nut. De vredeswetten van mei 1886 en april 1887 volgden kort na het verschijnen van de encycliek en vormden verdere stappen in het compromis waarmee de actieve confrontatie van de Kulturkampf werd beëindigd.