| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Sapientiae Christianae is een encycliek van paus Leo XIII, gedateerd op 10 januari 1890, over de plichten van christenen als burgers. De brief is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen van de Katholieke Kerk die in gemeenschap met de Apostolische Stoel staan. De encycliek behandelt onder meer de verhouding tussen godsdienstige en burgerlijke plichten, liefde voor het vaderland, gehoorzaamheid aan het staatsgezag, de grenzen van die gehoorzaamheid, de openbare belijdenis van het katholieke geloof en de deelname van katholieken aan het maatschappelijke en politieke leven.
Sapientiae Christianae behoort tot een reeks geschriften waarin Leo XIII de verhouding tussen Kerk, staat en moderne politieke samenleving behandelde. In studies over zijn politieke leer wordt de encycliek in het bijzonder samen gelezen met Diuturnum illud (1881), Immortale Dei (1885) en Libertas praestantissimum (1888).
Het pontificaat van Leo XIII (1878–1903) viel in een periode waarin de Katholieke Kerk zich moest verhouden tot de verdere ontwikkeling van liberale en seculiere staten in Europa. De paus probeerde enerzijds traditionele katholieke opvattingen over godsdienst, moraal en kerkelijk gezag te handhaven en anderzijds werkbare betrekkingen met bestaande politieke regimes tot stand te brengen. Historicus Juan María Laboa beschrijft zijn politiek als een poging om zich te verhouden tot liberale politieke structuren die Leo XIII in verschillende landen als een gegeven beschouwde, zonder zijn bezwaren tegen antiklerikale of seculariserende politiek op te geven.
Volgens Miquel Coll stond in Leo XIII's politieke leer de bescherming van een christelijk mensbeeld centraal. Tegelijk wilde de paus laten zien dat de Kerk met regeringen kon samenwerken ten dienste van het algemeen welzijn, en spoorde hij katholieken aan zich in het politieke leven te engageren. Hernández Vicencio plaatst deze oproep tot maatschappelijke activiteit in een bredere ontwikkeling binnen Leo's pontificaat, waarbij een meer proactieve katholieke aanwezigheid in de burgerlijke samenleving een alternatief moest vormen voor louter confrontatie met de liberale staat.
Die toenadering kende grenzen. Leo XIII bleef uitgaan van een eigen en bovennatuurlijke opdracht van de Kerk en van een morele orde waaraan ook het staatsgezag onderworpen was. Bovendien gold zijn oproep tot politieke deelname niet overal zonder beperking. In Italië verbood Leo XIII katholieken nog steeds deelname aan de nationale politiek in het kader van de onopgeloste Romeinse kwestie. Ook Sapientiae Christianae formuleert deelname aan het openbare leven uitdrukkelijk onder het voorbehoud dat kerkelijk gezag die deelname niet verbiedt.
De encycliek begint met een theologische en antropologische uiteenzetting. Volgens Leo XIII is de mens niet uitsluitend op materiële goederen gericht: zijn hoogste bestemming ligt in de kennis en liefde van God. Ook de burgerlijke samenleving is volgens hem niet het uiteindelijke doel van de mens, maar moet zij omstandigheden scheppen die bijdragen aan menselijke vervolmaking.
Daarmee plaatst de encycliek het burgerschap binnen een hiërarchie van doelen. Materiële welvaart en politieke orde hebben volgens de tekst een werkelijke waarde, maar zijn ondergeschikt aan morele en religieuze doeleinden. De staat kan in deze visie daarom niet als de hoogste bron van menselijke verplichtingen gelden.
Een belangrijk thema is de verhouding tussen vaderlandsliefde en trouw aan de Kerk. Leo XIII stelt dat de natuurwet de mens verplicht het land waarin hij geboren en opgegroeid is lief te hebben en zo nodig te verdedigen. Tegelijk acht hij de verplichting tegenover de Kerk hoger, omdat zij volgens zijn theologie betrekking heeft op het bovennatuurlijke leven en het eeuwige heil.
De twee vormen van loyaliteit worden door de encycliek niet als noodzakelijk tegengesteld voorgesteld. Omdat zowel burgerlijke als religieuze verplichtingen uiteindelijk in dezelfde goddelijke orde zouden zijn gefundeerd, zouden zij bij een juiste ordening met elkaar verenigbaar zijn. Conflict ontstaat volgens Leo XIII wanneer het burgerlijk gezag iets verlangt dat in strijd is met wat hij als goddelijke of kerkelijke verplichtingen beschouwt.
Religiewetenschapper Steven Grosby gebruikt deze passages in zijn bespreking van de verhouding tussen katholiek universalisme, vaderlandsliefde en nationalisme. Hij interpreteert Leo's vaderlandsliefde als een legitieme natuurlijke binding die binnen de katholieke gedachte wordt ondergeschikt gemaakt aan een universele religieuze loyaliteit.
Leo XIII beschouwt wettig staatsgezag als noodzakelijk voor de samenleving. Een wet wordt in de encycliek omschreven vanuit de klassieke natuurrechtelijke traditie als een voorschrift van de juiste rede, afkomstig van wettig gezag en gericht op het algemeen welzijn.
Daaruit volgt volgens de tekst een algemene plicht tot gehoorzaamheid aan de burgerlijke overheid. Die plicht is echter niet onbeperkt. Wanneer een menselijk bevel volgens Leo XIII duidelijk in strijd komt met de goddelijke wet, met de rechten van de Kerk of met religieuze verplichtingen, kan gehoorzaamheid niet langer worden verlangd. De encycliek verwijst in dat verband onder meer naar de uitspraak uit Handelingen 5:29 dat men God meer moet gehoorzamen dan mensen.
De tekst verdedigt daarmee geen algemene vrijheid om wetten naar eigen voorkeur te negeren. De grens aan gehoorzaamheid wordt binnen Leo's eigen theologische systeem bepaald door een hogere morele en goddelijke orde.
De encycliek verwerpt de gedachte dat het katholieke geloof uitsluitend tot de privésfeer behoort. Volgens Leo XIII heeft een christen niet alleen de plicht het geloof innerlijk te bewaren, maar ook het openlijk te belijden wanneer omstandigheden dat vereisen. Hij waarschuwt tegen schaamte, stilzwijgen of terughoudendheid wanneer het geloof of de Kerk publiek wordt aangevallen.
De primaire verantwoordelijkheid voor het officiële onderricht in geloof en moraal legt de tekst bij de bisschoppen en, in laatste instantie, bij de paus. Tegelijk kent Leo XIII leken een actieve rol toe. Zij kunnen volgens hem door hun levenswijze, publieke geloofsbelijdenis en verdediging van de katholieke leer bijdragen aan de verbreiding daarvan, zolang zij de leerstellige autoriteit van de kerkelijke hiërarchie erkennen.
Sapientiae Christianae maakt onderscheid tussen het gezagsgebied van Kerk en staat. De encycliek omschrijft de Kerk als een zelfstandige en in haar eigen sfeer volledige samenleving en kent haar een eigen gezag toe in religieuze en morele aangelegenheden. De burgerlijke overheid bezit volgens Leo XIII op dat terrein geen kerkelijke rechtsmacht.
Daaruit volgt echter niet dat beide instellingen volgens de tekst volledig van elkaar gescheiden of noodzakelijk vijandig zouden moeten zijn. Leo XIII beschouwt beide als gezagsvormen met een eigen werkterrein, die volgens hem in een geordende verhouding moeten samenwerken. De burgerlijke samenleving richt zich op het tijdelijke gemeenschappelijke leven; de Kerk op religieuze en bovennatuurlijke doeleinden.
De encycliek verbindt de Kerk niet aan één bepaalde regeringsvorm of politieke partij. Leo XIII stelt dat verschillende staatsvormen aanvaardbaar kunnen zijn, mits rechtvaardigheid, godsdienst en moraal worden gerespecteerd. Ook erkent hij dat katholieken over concrete politieke kwesties legitiem van mening kunnen verschillen. Volgens hem moet voorkomen worden dat kerkelijk gezag met partijstrijd wordt vereenzelvigd.
Tegelijk roept Leo XIII katholieken op om, waar deelname aan het politieke leven is toegestaan, niet afzijdig te blijven. Zij moeten volgens de encycliek door publieke activiteit bijdragen aan wetten en instellingen die zij in overeenstemming achten met christelijke moraal, en bij politieke keuzes steun geven aan personen die zij als rechtschapen en gunstig voor de katholieke zaak beschouwen. Hernández Vicencio beschouwt deze oproep als onderdeel van een bredere ontwikkeling in Leo XIII's denken waarin het actieve burgerschap van katholieken een belangrijke plaats kreeg.
Aan het einde van de encycliek krijgt ook het gezin een plaats binnen de visie op christelijk burgerschap. Leo XIII omschrijft het gezin als de oorsprong of kiem van de burgerlijke samenleving en legt bij ouders de verantwoordelijkheid voor de religieuze en morele vorming van hun kinderen. Deze nadruk sluit aan bij de bredere betekenis die Leo in zijn sociale en politieke leer aan gezin en maatschappelijke verbanden toekende.
De argumentatie van Sapientiae Christianae is zowel bijbels als scholastiek. Tot de geciteerde Bijbelplaatsen behoren onder meer Titus 3:1 over gehoorzaamheid aan overheden, Handelingen 5:29 over de voorrang van gehoorzaamheid aan God, Handelingen 4:19–20 over de plicht te getuigen en passages uit de brieven van Paulus over de eenheid en organisatie van de Kerk.
Daarnaast verwijst de encycliek herhaaldelijk naar Thomas van Aquino, in het bijzonder diens Summa theologiae, en naar de constitutie Dei Filius van het Eerste Vaticaans Concilie.
De plaats van Thomas van Aquino past in Leo XIII's bredere intellectuele programma. Robert P. Kraynak beschrijft de door Leo bevorderde herleving van het thomisme als een centraal element van diens antwoord op de moderniteit. Daarbij waren onder meer een geordende werkelijkheid, natuurrecht, het algemeen welzijn en de mogelijkheid van verschillende legitieme politieke regimes van belang.
Het mensbeeld van de encycliek is teleologisch: het menselijke leven wordt beoordeeld vanuit een laatste doel dat volgens Leo XIII niet binnen de politieke samenleving zelf ligt. De mens bezit lichamelijke en maatschappelijke behoeften, maar zijn hoogste bestemming bestaat volgens de tekst in de vereniging met God door kennis, liefde en deugd.
Daarmee wordt ook het burgerschap in een theologisch kader geplaatst. De burgerlijke orde moet volgens de encycliek bijdragen aan het tijdelijke en morele welzijn van personen, maar kan hun bovennatuurlijke bestemming niet vervangen. De kerkelijke gemeenschap heeft binnen dit schema een eigen functie met betrekking tot geloof en eeuwig heil.
De politieke filosofen Russell Hittinger en Scott Roniger lezen Sapientiae Christianae vanuit dit verband tussen praktisch handelen en het bovennatuurlijke doel. Zij leggen met name nadruk op Leo's begrip van politieke prudentie: het handelen van christelijke burgers wordt volgens deze interpretatie geordend met het oog op zowel concrete politieke omstandigheden als hun uiteindelijk religieuze doel.
De ethische en politieke argumentatie van de encycliek steunt op een natuurrechtelijke ordening. Het positieve recht van de staat is volgens Leo XIII niet de hoogste norm, maar moet overeenstemmen met een objectieve morele orde. Daaruit volgt zijn opvatting dat een staatswet haar morele aanspraak op gehoorzaamheid kan verliezen wanneer zij rechtstreeks ingaat tegen de goddelijke wet.
Deze voorstelling gaat gepaard met een begrip van prudentie als praktische deugd. Leo XIII waarschuwt zowel tegen een voorzichtigheid die uit angst of opportunisme het geloof verzwijgt, als tegen onbezonnen optreden dat de katholieke zaak kan schaden. Hij kent daarbij aan de paus en de bisschoppen een richtinggevende rol toe bij de beoordeling van de politieke plichten van katholieken.
De visie op Kerk en staat combineert institutioneel onderscheid met een afwijzing van een volledig religieneutrale publieke orde. Leo XIII erkent verschillende bevoegdheidssferen en aanvaardt verschillende politieke regeringsvormen, maar verwerpt tegelijk de gedachte dat wetgeving en staatsbestuur zich principieel los zouden kunnen maken van wat hij als de goddelijke en natuurlijke morele orde beschouwt.
In de bredere historiografie over Leo XIII wordt juist deze combinatie van aanpassing en continuïteit benadrukt. Coll beschrijft een paus die de betrekkingen met liberale staten wilde herstellen en samenwerking voor het algemeen welzijn mogelijk achtte, terwijl hij vasthield aan een christelijke opvatting van mens, moraal en politieke orde. Kraynak interpreteert Leo XIII's programma eveneens als een poging onderscheid te maken tussen leerstukken die volgens de Kerk onveranderlijk waren en onderdelen van de katholieke omgang met politiek, wetenschap en maatschappij die aan moderne omstandigheden konden worden aangepast.
Sapientiae Christianae bevat zowel polemische als pragmatische elementen in de omgang met de negentiende-eeuwse moderniteit. De encycliek bekritiseert rationalistische en naturalistische denkbeelden voor zover deze volgens Leo XIII God, openbaring en kerkelijk gezag uit het openbare leven uitsluiten. Zij verwerpt tevens een staatsopvatting waarin de burgerlijke wet de hoogste morele norm vormt.
Daartegenover staat dat de tekst niet pleit voor één voorgeschreven regeringsvorm en ruimte laat voor politieke meningsverschillen onder katholieken. Bovendien spoort zij katholieken aan gebruik te maken van bestaande mogelijkheden voor maatschappelijke en politieke participatie.
Hernández Vicencio ziet deze ontwikkeling binnen Leo's encyclieken als de uitwerking van een christelijk burgerschapsideaal waarin katholieken niet alleen onderdanen van een politieke orde waren, maar actieve deelnemers aan de publieke besluitvorming moesten worden. Laboa plaatst dit in Leo's bredere strategie van toenadering tot bestaande liberale regimes, terwijl de paus tegelijk probeerde hun antiklerikale en seculariserende tendensen tegen te gaan.
In de latere wetenschappelijke literatuur wordt Sapientiae Christianae vooral bestudeerd als onderdeel van Leo XIII's bredere politieke en sociale leer. Coll behandelt de encycliek als een van vier centrale politieke encyclieken uit de periode 1881–1890 en benadrukt de combinatie van katholieke leerstellige uitgangspunten met een bereidheid tot samenwerking met bestaande regeringen.
Hernández Vicencio behandelt de encycliek als een belangrijke fase in de ontwikkeling van Leo XIII's opvatting over christelijk burgerschap. Volgens haar analyse droeg het geheel van deze encyclieken bij aan een model waarin katholieken actief moesten deelnemen aan burgerlijke en politieke instituties.
Andere auteurs gebruiken afzonderlijke onderdelen van de encycliek als uitgangspunt voor bredere vraagstukken. Grosby bespreekt de tekst in verband met de verhouding tussen katholiek universalisme, patriottisme en nationalisme. Hittinger en Roniger gebruiken Leo's begrip van politieke prudentie uit de encycliek bij hun bespreking van de katholieke politieke filosofie en de ordening van politiek handelen aan een bovennatuurlijk doel.
Voor Leo XIII's politieke beleid als geheel is de historiografische waardering niet uitsluitend positief. Laboa karakteriseert diens bredere politieke strategie als in verschillende landen slechts gedeeltelijk succesvol, maar stelt tegelijkertijd dat Leo's aanvaarding van verschillende regeringsvormen en zijn nadruk op georganiseerde katholieke maatschappelijke activiteit de weg hielpen openen voor vormen van katholieke sociale en politieke actie in de twintigste eeuw. Die beoordeling heeft betrekking op het gehele pontificaat en kan niet uitsluitend aan Sapientiae Christianae worden toegeschreven.