| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Quod Multum is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 22 augustus 1886 en gericht aan de bisschoppen van Hongarije. Centraal in de encycliek staat de volgens Leo noodzakelijke vrijheid van de Katholieke Kerk om haar geestelijke opdracht te vervullen. Daarnaast behandelt hij de verhouding tussen Kerk en staat, godsdienstige opvoeding, socialisme, het huwelijk, het katholieke onderwijs en de vorming van de geestelijkheid.
De encycliek verscheen in een periode waarin in het Hongaarse deel van Oostenrijk-Hongarije scherpe discussies werden gevoerd over de plaats van de Katholieke Kerk in een moderniserende staat. Historisch onderzoek naar deze periode beschrijft conflicten over onder meer onderwijs, huwelijk, kerkelijke rechtsmacht en de verhouding tussen burgerlijk en kerkelijk gezag.
Na de Ausgleich van 1867 beschikte het Koninkrijk Hongarije binnen de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie over verregaande binnenlandse autonomie. Tegelijkertijd nam de politieke discussie over de institutionele positie van de kerken toe. Volgens historicus János Rada werden de spanningen mede veroorzaakt door modernisering en secularisering, waardoor bestaande kerkelijke privileges, eigendomsverhoudingen en vormen van gezag ter discussie kwamen te staan. De kerkpolitieke hervormingsvoorstellen die vanaf 1867 werden besproken, maakten de verhouding tussen Kerk en staat tot een terugkerend politiek vraagstuk.
Een belangrijk twistpunt was het huwelijksrecht. In het begin van de jaren 1880 werd in het Hongaarse parlement gedebatteerd over de juridische erkenning van huwelijken tussen christenen en joden. Historici Árpád Welker en Miklós Konrád plaatsen deze discussie zowel in het kader van de joodse emancipatie en de ontwikkeling naar een burgerlijk huwelijksrecht als in dat van het toenmalige politieke antisemitisme. Het voorstel werd niet aangenomen. In Quod Multum verwees Leo XIII instemmend naar de katholieke politici die zich tegen een dergelijke wettelijke regeling hadden verzet.
De directe aanleiding voor de openingspassage van de encycliek was de tweehonderdste verjaardag van de herovering van Buda op het Ottomaanse Rijk in 1686. Leo XIII presenteerde deze herdenking als een moment waarop de historische verbondenheid van Hongarije met het katholicisme opnieuw zichtbaar werd. Hij verwees daarbij uitvoerig naar koning Stefanus I van Hongarije, aan wie hij een belangrijke rol toeschreef in de kerstening en kerkelijke organisatie van het Hongaarse koninkrijk. De historische herinnering functioneert in de encycliek als inleiding op Leo's oproep om de katholieke identiteit van Hongarije te bewaren.
Het hoofdthema van Quod Multum is wat Leo XIII omschrijft als de vrijheid van de Kerk. Daaronder verstaat hij in de eerste plaats de institutionele ruimte die de Katholieke Kerk volgens hem nodig heeft om haar eigen geestelijke taken uit te oefenen, geestelijken op te leiden, onderwijs te verzorgen en kerkelijke aangelegenheden volgens het kerkelijk recht te regelen.
Leo spoorde de Hongaarse bisschoppen aan zich ervoor in te zetten dat wetten die volgens hen met de rechten van de Kerk in strijd waren zouden worden gewijzigd, voor zover dat binnen de bestaande rechtsorde mogelijk was. Tegelijkertijd maakte hij onderscheid tussen de verplichtingen tegenover het burgerlijk gezag en de verplichtingen die volgens de katholieke leer uit de godsdienst voortvloeien. Wanneer beide rechtstreeks met elkaar in conflict zouden komen, kende hij aan de godsdienstige verplichting de hogere normatieve status toe.
Dit standpunt sloot aan bij Leo XIII's bredere leer over Kerk en staat, die hij kort daarvoor systematischer had uiteengezet in de encycliek Immortale Dei uit 1885. De Amerikaanse theoloog John Courtney Murray beschreef Leo's staatsleer als een poging om de eigen bevoegdheid van het burgerlijk gezag te erkennen zonder de staat tot de hoogste autoriteit op godsdienstig en moreel gebied te maken.
Leo XIII verbond de kerkpolitieke kwestie tevens met maatschappelijke ontwikkelingen die hij als bedreigend beschouwde. Hij noemde onder meer rationalisme, naturalisme, geheime genootschappen en socialisme. Zijn bespreking van socialisme in Quod Multum is korter en minder systematisch dan de sociale leer die hij later in Rerum novarum (1891) zou uitwerken.
In Quod Multum stelde Leo dat een diepgaande godsdienstige opvoeding volgens hem het meest doeltreffende middel tegen de verbreiding van socialistische denkbeelden was. Hij zag geloofsopvoeding niet alleen als middel tot individueel heil, maar ook als basis voor maatschappelijke orde en gehoorzaamheid aan rechtmatig gezag. Daarmee koppelde hij de verdediging van de institutionele positie van de Kerk aan een bredere visie op de maatschappelijke betekenis van godsdienst.
Een aanzienlijk deel van de encycliek betreft het huwelijk. Leo XIII verdedigde de katholieke opvatting dat het huwelijk tussen gedoopten een sacrament is en daarom in zijn wezenlijke kerkelijke aspecten onder de bevoegdheid van de Kerk valt. Hij verzette zich tegen ontwikkelingen waarbij het burgerlijk gezag een autonome regeling van het huwelijk tot stand bracht die onafhankelijk van de kerkelijke rechtsorde functioneerde.
Bijzondere aandacht besteedde hij aan gemengde huwelijken en aan het eerder in het Hongaarse parlement besproken voorstel betreffende huwelijken tussen christenen en joden. Leo prees de katholieke politici die zich daartegen hadden verzet. In de historische literatuur wordt deze parlementaire controverse in een bredere context geplaatst dan in de encycliek zelf: zij maakte deel uit van discussies over burgerlijke gelijkheid, de positie van de joodse bevolking, secularisering van het huwelijksrecht en de grenzen van kerkelijke invloed op de wetgeving.
Onderwijs vormt een tweede belangrijk toepassingsgebied van Leo's opvatting over kerkelijke vrijheid. Hij bekritiseerde onderwijsstelsels waarin godsdienst volgens hem naar de achtergrond werd gedrongen en verzette zich tegen wat hij als religieus neutraal of uitsluitend seculier onderwijs beschouwde. De bisschoppen moesten volgens hem bevorderen dat katholieke ouders toegang hadden tot scholen waarin het katholieke geloof daadwerkelijk deel uitmaakte van de vorming.
De encycliek behandelt zowel het lager en voortgezet onderwijs als de hogere opleiding. Leo wees bovendien op het belang van seminaries en van een degelijke intellectuele, morele en geestelijke vorming van priesters. Van de geestelijkheid verwachtte hij niet alleen doctrinaire kennis, maar ook een levenswijze die volgens katholieke normen als voorbeeld kon dienen.
Aan het einde van de encycliek spoorde Leo de bisschoppen aan de samenwerking onder katholieken te bevorderen. Hij hechtte belang aan katholieke verenigingen en aan publicaties die de katholieke leer verdedigden. Tegelijk waarschuwde hij tegen deelname aan organisaties die volgens de kerkelijke beoordeling met het katholieke geloof onverenigbaar waren.
De theologische redenering van Quod Multum is in hoofdzaak ecclesiologisch en moraaltheologisch. De encycliek bevat geen uitgebreide, systematische exegese van afzonderlijke Bijbelpassages. Leo gebruikt veeleer algemene verwijzingen naar het evangelie, Christus en het eeuwige heil om zijn opvatting over de taak van de Kerk te onderbouwen.
De Kerk wordt voorgesteld als een door Christus gestichte geestelijke gemeenschap die niet van de staat afhankelijk is voor de legitimiteit van haar eigenlijke religieuze opdracht. Vanuit die premisse volgt Leo's eis dat de Kerk voldoende vrijheid bezit om leer, eredienst, sacramenten, opvoeding en kerkelijke discipline zelf te regelen. Tegelijkertijd stelt hij dat de werkzaamheid van de Kerk niet alleen het eeuwige heil dient, maar ook indirect bijdraagt aan het tijdelijke algemeen welzijn doordat godsdienstige en morele vorming volgens hem maatschappelijke deugden bevordert.
De filosofische achtergrond van deze argumentatie moet worden gezien binnen Leo XIII's bredere intellectuele programma. Politiek filosoof Robert P. Kraynak karakteriseert Leo's reactie op de moderniteit onder meer door zijn herwaardering van het thomisme, een hiërarchische opvatting van de werkelijkheid en een beroep op het natuurrecht. Volgens Kraynak probeerde Leo daarbij blijvende leerstellige uitgangspunten te onderscheiden van politieke en maatschappelijke vormen die aan veranderende omstandigheden konden worden aangepast.
In Quod Multum komt die benadering onder meer tot uiting in het onderscheid tussen positief burgerlijk recht enerzijds en hogere godsdienstige en morele verplichtingen anderzijds. Het burgerlijk gezag bezit in Leo's voorstelling een legitieme eigen taak, maar is niet de uiteindelijke bron van alle morele normativiteit. Zijn verdediging van kerkelijke vrijheid is daarom niet hetzelfde als een pleidooi voor een religieus neutrale staat in de latere liberale betekenis van het begrip. Zij betreft in de eerste plaats de vrijheid en rechtspositie van de Kerk als institutionele en geestelijke gemeenschap.
Het mensbeeld van de encycliek is verbonden met het idee dat mensen zowel een tijdelijk als een bovennatuurlijk doel hebben. Opvoeding kan daarom volgens Leo niet uitsluitend worden beoordeeld op intellectuele of economische bruikbaarheid, omdat zij ook de religieuze en morele vorming van de persoon omvat.
Ook het gezin krijgt binnen deze maatschappijvisie een centrale plaats. Leo beschouwt het huwelijk niet alleen als een particuliere overeenkomst tussen individuen, maar als een religieuze en maatschappelijke instelling met gevolgen voor gezin en samenleving. Daardoor vormt de vraag wie het huwelijk juridisch mag regelen voor hem tegelijk een theologische, morele en politieke kwestie.
Quod Multum weerspiegelt de spanning in Leo XIII's pontificaat tussen aanpassing aan nieuwe politieke omstandigheden en verzet tegen bepaalde moderne intellectuele en juridische ontwikkelingen. In de encycliek worden rationalisme, naturalisme en secularisering van onderwijs en huwelijk negatief beoordeeld. Tegelijk roept Leo de Hongaarse katholieken niet op de bestaande staatsorde als zodanig te verwerpen. Hij verlangt dat zij binnen de wettige politieke mogelijkheden proberen de door hem gewenste veranderingen te bereiken.
Kraynak beschouwt deze combinatie van doctrinaire continuïteit en praktische aanpassing als kenmerkend voor Leo XIII's bredere benadering van de moderniteit. Quod Multum kan binnen dat pontificaat worden geplaatst naast documenten als Immortale Dei (1885), over de christelijke inrichting van staten, en Libertas praestantissimum (1888), over menselijke vrijheid.
De kerkpolitieke conflicten in Hongarije verdwenen na 1886 niet. Leo XIII richtte zich op 2 september 1893 opnieuw tot de Hongaarse bisschoppen in de encycliek Constanti Hungarorum, waarin hij naar Quod Multum verwees en opnieuw aandacht besteedde aan de positie van de Kerk, katholieke organisatie en opvoeding.
In de jaren 1894 en 1895 nam het Hongaarse parlement uiteindelijk een reeks kerkpolitieke hervormingen aan. Daaronder vielen de invoering van het verplichte burgerlijk huwelijk en de burgerlijke registratie van de burgerlijke staat. Ook de wettelijke positie van de erkende godsdiensten werd gewijzigd. Deze wetgeving week op belangrijke punten af van het standpunt over huwelijk en kerkelijke bevoegdheid dat Leo XIII in Quod Multum had verdedigd.
Volgens Paksy waren de hervormingen het resultaat van een langdurige politieke strijd die reeds vóór 1890 verschillende mislukte wetgevingspogingen had gekend. Het georganiseerde katholieke verzet tegen de kerkpolitieke wetgeving maakte op zijn beurt deel uit van de ontwikkeling van het politieke katholicisme in Hongarije aan het einde van de negentiende eeuw. Op grond van deze bredere ontwikkelingen kan Quod Multum worden geplaatst in een langere geschiedenis van conflicten over de verhouding tussen confessionele instellingen en de liberale staat, zonder daarmee een rechtstreeks causaal verband tussen de encycliek en afzonderlijke Hongaarse wetswijzigingen te veronderstellen.