| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Annum Sacrum (Latijn voor „heilig jaar”) is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 25 mei 1899. In het document schreef Leo voor dat de gehele mensheid plechtig zou worden toegewijd aan het Allerheiligst Hart van Jezus. De voorgeschreven toewijdingsakte moest op 11 juni 1899, na een driedaagse gebedsvoorbereiding, worden uitgesproken.
De encycliek verscheen in de aanloop naar het Heilig Jaar 1900. Dat jubeljaar was niet door Annum Sacrum zelf afgekondigd: Leo XIII had het reeds op 11 mei 1899 aangekondigd in de apostolische brief Properante ad exitum. Annum Sacrum verbond het naderende jubeljaar met de Heilig-Hartdevotie en met Leo's opvatting over het universele koningschap van Christus.
De Heilig Hartverering ontwikkelde zich in haar vroegmoderne vorm vooral in het zeventiende-eeuwse Frankrijk. In de negentiende eeuw nam de kerkelijke verbreiding van de devotie sterk toe. Paus Pius IX breidde in 1856 het liturgische feest van het Heilig Hart uit tot de gehele Rooms-Katholieke Kerk. Volgens antropoloog Chris Hann werd de Heilig-Hartdevotie in de negentiende eeuw bovendien onderdeel van een bredere katholieke reactie op de rationalisering en secularisering van de West-Europese samenleving.
De devotie had tegelijk een politieke en maatschappelijke geschiedenis. Historicus Raymond Jonas beschrijft hoe de Heilig-Hartdevotie in Frankrijk vanaf de Revolutie verbonden raakte met uiteenlopende katholieke reacties op revolutie, nationale crisis en veranderingen in de verhouding tussen religie en staat. Deze historische associaties waren niet identiek aan de inhoud van Annum Sacrum, maar vormden een deel van de bredere context waarin Leo XIII de devotie bevorderde.
Leo XIII had de liturgische positie van de Heilig-Hartdevotie reeds versterkt. In Annum Sacrum herinnerde hij eraan dat hij op 28 juni 1889 het feest tot een hogere liturgische rang had verheven. Ook verwees hij naar verzoeken die ongeveer vijfentwintig jaar eerder aan Pius IX waren gericht om de gehele mensheid aan het Heilig Hart toe te wijden. Pius IX had destijds geen universele toewijding voorgeschreven, maar wel toestemmingen verleend voor plaatselijke vormen ervan.
De encycliek werd gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen die in gemeenschap stonden met de Apostolische Stoel. De onmiddellijke aanleiding was religieus en liturgisch, maar de tekst bevat tevens uitspraken over de plaats van het christendom in de maatschappij en over de verhouding tussen religieuze en burgerlijke orde.
Het centrale voorschrift van de encycliek is de toewijding van de gehele mensheid aan het Heilig Hart van Jezus. Leo XIII presenteerde deze toewijding als een vrijwillige erkenning van de heerschappij van Christus. Hij beperkte die heerschappij niet tot katholieken of christenen: volgens de encycliek strekt de macht van Christus zich uit over de gehele mensheid, ook over degenen die Hem niet als zodanig erkennen.
Daarmee ging Annum Sacrum verder dan een uitsluitend persoonlijke devotie. De paus verbond individuele en kerkelijke vroomheid met een universele religieuze aanspraak. In de voorgeschreven toewijdingsakte werden zowel gelovigen als degenen die niet tot het christendom behoorden onder de universele heerschappij van Christus geplaatst.
Een belangrijk deel van Leo's argumentatie betreft het koningschap van Christus. Hiervoor beroept hij zich onder meer op passages uit het Nieuwe Testament, waaronder Johannes 18:37, waar Christus tegenover Pontius Pilatus over zijn koningschap spreekt, en Matteüs 28:18, waarin Christus verklaart dat Hem alle macht in hemel en op aarde is gegeven.
Leo onderscheidde twee gronden voor die heerschappij. Ten eerste komt Christus volgens hem macht over de mensheid toe op grond van zijn goddelijke natuur als Zoon van God. Ten tweede heeft Christus volgens de encycliek een verworven recht op de mensheid door de verlossing: de mens is door Christus' offer vrijgekocht.
Voor deze redenering verwees Leo tevens naar Thomas van Aquino. In het bijzonder sluit zijn uiteenzetting aan bij de Summa Theologiae, III, quaestio 59, artikel 4, waar Thomas de rechterlijke macht van Christus in verband brengt met diens goddelijke waardigheid en met zijn mensheid. De encycliek bevat daarmee een expliciet scholastiek element, al vormt zij geen systematisch filosofisch traktaat.
Leo beschreef het Heilig Hart als het zichtbare of zintuiglijk waarneembare teken van de liefde van Christus. De devotie is in deze voorstelling niet gericht op een lichamelijk orgaan los van de persoon van Christus, maar op Christus zelf, waarbij het hart als symbool van zijn liefde fungeert.
Deze symbolische dimensie behoort tot een langere ontwikkeling van katholieke Heilig-Hartvroomheid. Hann wijst erop dat juist de materiële en affectieve eigenschappen van de devotie, afbeeldingen, lichamelijke symboliek en de nadruk op het hart, belangrijk waren voor haar verbreiding. Hij waarschuwt er tegelijk voor dergelijke vormen van religiositeit eenvoudig als „premodern” te classificeren.
De toewijding was volgens Leo niet alleen een erkenning van Christus' heerschappij, maar ook een daad van liefde en religieuze vernieuwing. De encycliek sluit daarmee aan bij het binnen de Heilig-Hartdevotie belangrijke motief van eerherstel: menselijke onverschilligheid en zonde worden beantwoord met gebed, toewijding en liefde tot Christus.
Leo plaatste de toewijding bovendien in de context van het naderende Heilig Jaar. De bisschoppen moesten op 9, 10 en 11 juni bijzondere gebeden laten verrichten; op de laatste dag moest de voorgeschreven formule van toewijding worden gebruikt.
De theologische kern van Annum Sacrum is christologisch en soteriologisch. Christus' universele heerschappij berust in de argumentatie van de encycliek zowel op zijn goddelijke zoonschap als op zijn verlossende handelen. De toewijding is bijgevolg geen middel waardoor Christus volgens Leo pas koning zou worden, maar een menselijke erkenning van een reeds bestaande heerschappij.
Deze opbouw verbindt de leer over de persoon van Christus met de leer over de verlossing. De mens wordt voorgesteld als schepsel én als verloste: zowel schepping als verlossing funderen volgens de encycliek de verhouding tussen mens en Christus.
Leo onderbouwde zijn argumentatie met verschillende Bijbelteksten. Naast Johannes 18:37 en Matteüs 28:18 verwijst de encycliek onder meer naar Psalm 2 en naar Hebreeën 1:3. De Schriftplaatsen worden gebruikt om de universaliteit en legitimiteit van Christus' heerschappij te onderbouwen.
Daarnaast staat de encycliek in een kerkelijke traditie van Heilig-Hartdevotie. Leo verwees zelf naar eerdere pausen die de cultus hadden bevorderd en naar het pontificaat van Pius IX. De verwijzing naar Thomas van Aquino plaatst een deel van de argumentatie tevens binnen de scholastieke theologische traditie.
Annum Sacrum behandelt de mens niet uitsluitend als individu. Leo spreekt ook over gezinnen, staten en de menselijke samenleving als geheel. In zijn visie heeft religie daarom een maatschappelijke dimensie. De encycliek bekritiseert de uitsluiting van God en christelijke religie uit het openbare leven en verbindt maatschappelijke orde en vrede met erkenning van een hogere religieuze norm.
Deze passages sluiten aan bij een breder thema in het pontificaat van Leo XIII. Theoloog John Courtney Murray beschreef Leo's denken over Kerk en staat als gevormd door het negentiende-eeuwse conflict over secularisering, politieke macht en de scheiding van religieuze en burgerlijke autoriteit. Historicus Daniele Menozzi situeert Leo's pontificaat eveneens binnen de katholieke zoektocht naar een verhouding tot de moderne, geseculariseerde samenleving aan het einde van de negentiende eeuw.
Daarmee dient de maatschappelijke argumentatie van Annum Sacrum in haar historische context te worden gelezen. De tekst verdedigt geen moderne opvatting van religieuze neutraliteit van de staat, maar vertrekt vanuit Leo's overtuiging dat de christelijke waarheid ook betekenis heeft voor de inrichting en morele orde van de samenleving. Murray merkt op dat juist het verwijderen van religie uit de publieke orde door Leo en zijn tijdgenoten als een fundamenteel onderdeel van het conflict met het negentiende-eeuwse laïcisme werd beschouwd.
De Heilig-Hartdevotie wordt in historisch en antropologisch onderzoek mede geïnterpreteerd tegen de achtergrond van de modernisering en secularisering van Europa. Hann beschouwt de cultus als een katholieke reactie op een steeds sterker gerationaliseerd en geseculariseerd West-Europa. Tegelijk stelt hij dat de devotie niet eenvoudig als het tegendeel van moderniteit kan worden opgevat. De nadruk op persoonlijke religieuze ervaring en affectieve betrokkenheid droeg volgens zijn analyse ook bij aan veranderingen binnen de katholieke religiositeit zelf.
Vanuit dat perspectief vertegenwoordigt Annum Sacrum zowel continuïteit met oudere katholieke devotionele en scholastieke tradities als een poging om die tradities toe te passen op de maatschappelijke omstandigheden van het einde van de negentiende eeuw.
De door Annum Sacrum voorgeschreven plechtige toewijding vond op 11 juni 1899 plaats. Een eeuw later herdacht Johannes Paulus II deze gebeurtenis in een brief ter gelegenheid van de honderdste verjaardag ervan. Hij benadrukte daarin dat Leo XIII de toewijding niet alleen tot praktiserende katholieken beperkte, maar uitdrukkelijk op de gehele mensheid betrok.
De encycliek werd ook in latere pauselijke documenten aangehaald. Pius XI verwees er in 1925 in de encycliek Quas primas naar in zijn uiteenzetting over het koningschap van Christus. In 1928 behandelde hij in Miserentissimus Redemptor de toewijding en het eerherstel aan het Heilig Hart opnieuw. Pius XII verwees in Haurietis aquas uit 1956 eveneens naar Leo XIII en naar de ontwikkeling van de Heilig-Hartdevotie.
De bredere geschiedenis van de Heilig-Hartdevotie laat volgens Jonas zien dat de cultus in de negentiende en twintigste eeuw niet uitsluitend een persoonlijke devotie was, maar ook deel uitmaakte van katholieke discussies over nationale identiteit, maatschappelijke orde en de positie van het geloof in de moderne samenleving.