Grootsporig uitbreekkommetje

Grootsporig uitbreekkommetje
Grootsporig uitbreekkommetje
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Ascomycota
Klasse:Leotiomycetes
Onderklasse:Leotiomycetidae
Orde:Helotiales
Familie:Ploettnerulaceae
Geslacht:Pyrenopeziza
Soort
Pyrenopeziza arctii
(W. Phillips) Nannf. (1932)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Het grootsporig uitbreekkommetje (Pyrenopeziza arctii) is een schimmel uit de familie Ploettnerulaceae. Het is een saprotroof die groeit op dode stengels van kruidachtige planten. De soort is vooral bekend van afgestorven stengels van klit (Arctium), waaronder grote klit (Arctium lappa) en kleine klit (Arctium minus). In Nederland wordt hij vooral gevonden in ruigtevegetaties en op vuilnisbelten.

Taxonomie

De soort werd in 1883 door William Phillips oorspronkelijk beschreven onder de naam Peziza arctii. Het materiaal waarop de beschrijving was gebaseerd was afkomstig uit Groot-Brittannië en groeide op Arctium. Het holotype wordt bewaard in het fungarium van de Royal Botanic Gardens, Kew.

Johann Axel Nannfeldt bracht de soort in 1932 onder in het geslacht Pyrenopeziza, waardoor de huidige combinatie Pyrenopeziza arctii ontstond. Tot de namen die voor dezelfde soort zijn gebruikt behoren Mollisia arctii, Belonium arctii en Belonidium arctii.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

De apothecia zijn schijfvormig en variëren van concaaf tot vlak of licht convex. Ze zijn ongeveer 0,5–1,1 mm in diameter en zitten met een brede basis op het substraat. Het hymenium is donkergrijs en wordt bij uitdroging ivoorkleurig. De buitenzijde is donkerbruin en heeft een opvallende witte, fijnvezelige rand.

De vruchtlichamen breken bij het rijpen door de buitenste lagen van de dode plantenstengel heen. Dit uitbrekende karakter ligt mede aan de basis van de Nederlandse naam.

Microscopische kenmerken

De asci zijn cilindrisch tot knotsvormig, achtsporig en meten ongeveer 83–106 × 9–11 µm. De ascosporen liggen in de asci in twee rijen. De apicale porie van de asci kleurt blauw met IKI en de asci ontstaan vanuit haken.

De sporen zijn spoelvormig, recht tot licht gebogen, glad en hyaliene. Ze meten 29–44 × 3–3,5(–4) µm. De sporen zijn tijdens hun verblijf in de ascus meestal drie-septaat, soms één-septaat, en bevatten weinig tot geen kleine oliedruppels. De opvallend grote en gesepteerde sporen onderscheiden deze soort van veel andere soorten binnen het geslacht Pyrenopeziza.

De parafysen zijn cilindrisch en gesepteerd. Ze zijn aan de basis ongeveer 2,5 µm breed en verbreden zich aan de top tot ongeveer 3–6 µm. Het ectale excipulum bestaat uit donker olijfbruine, hoekige cellen (textura angularis) van ongeveer 7–23 µm in diameter. Aan de rand bevinden zich hyaliene, cilindrische eindcellen van ongeveer 18–24 × 4–6 µm.

Door het zeer kleine formaat van de vruchtlichamen is voor een betrouwbare determinatie microscopisch onderzoek noodzakelijk. De combinatie van relatief grote, smalle, meestal drie-septate ascosporen en IKI-positieve asci is kenmerkend.

Ecologie

Het grootsporig uitbreekkommetje leeft saprotroof op afgestorven kruidachtige stengels. Het lijkt een duidelijke voorkeur te hebben voor soorten van het geslacht Arctium. In de literatuur worden onder meer dode, overwinterde stengels van grote klit (Arctium lappa) en kleine klit (Arctium minus) als substraat genoemd. Een Belgische collectie werd gevonden aan de basis van een dode stengel van Arctium lappa.

In Nederland wordt als karakteristiek biotoop ruigtevegetatie en vuilnisbelt vermeld. In Groot-Brittannië worden de vruchtlichamen voornamelijk van april tot juni aangetroffen.

Verspreiding

In Nederland komt het grootsporig uitbreekkommetje 'zeer zeldzaam' voor. Deze zeldzaamheidsklasse is gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023.

De soort is ook bekend uit andere delen van Europa. In een overzicht uit 2019 worden zeldzame of zeer zeldzame vondsten genoemd uit onder meer Tsjechië, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Polen, Spanje, Zweden en Nederland. Uit België werd de soort voor het eerst gerapporteerd op basis van een vondst op grote klit in Hamme. De soort werd oorspronkelijk beschreven uit Groot-Brittannië.