Berenklauwuitbreekkommetje

Berenklauwuitbreekkommetje
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Ascomycota
Klasse:Leotiomycetes
Onderklasse:Leotiomycetidae
Orde:Helotiales
Familie:Ploettnerulaceae
Geslacht:Pyrenopeziza
Soort
Pyrenopeziza arenivaga
(Desm.) Boud. (1907)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Het helmuitbreekkommetje (Pyrenopeziza arenivaga) is een schimmel uit de familie Ploettnerulaceae. De soort leeft saprotroof op afgestorven delen van helm (Calamagrostis arenaria, synoniem Ammophila arenaria), vooral op dode bladeren en stengels. Hij is karakteristiek voor zeeduinen.

Taxonomie

De soort werd in 1852 door de Franse mycoloog Jean Baptiste Desmazières oorspronkelijk beschreven als Peziza arenivaga. Het oorspronkelijke materiaal was afkomstig uit Frankrijk en groeide op bladeren van helm, destijds aangeduid als Calamagrostis arenaria.

Jean-Louis Émile Boudier bracht de soort in 1907 onder in het geslacht Pyrenopeziza en publiceerde daarmee de huidige naam Pyrenopeziza arenivaga. Species Fungorum plaatst de soort in de familie Ploettnerulaceae.

Andere wetenschappelijke namen die voor deze soort zijn gebruikt zijn onder meer Mollisia arenivaga, Niptera arenivaga en Helotium arenivagum.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

De apothecia ontwikkelen zich aanvankelijk in het weefsel van het blad en breken bij het rijpen door de opperhuid heen. Ze staan verspreid aan beide zijden van het blad, zijn vrijwel ongesteeld en ondiep komvormig. De vruchtlichamen kunnen ongeveer 1 mm in diameter worden. De buitenzijde is glad en zwart, terwijl de vlakke vruchtbare schijf bleek tot bruin van kleur is.

Op dode bladeren kunnen de vruchtlichamen van aanvankelijk ingezonken tot duidelijk uitbrekend worden. Op naar binnen gerolde delen van helmbladeren kunnen ze vrijwel oppervlakkig groeien, terwijl andere exemplaren onder de epidermis ingebed blijven.

Microscopische kenmerken

De asci zijn cilindrisch tot knotsvormig, vrijwel ongesteeld en achtsporig. Ze meten ongeveer 60–75 × 13–15 µm. De afgeronde top bevat een apicale porie die met jodium blauw kleurt.

De ascosporen liggen in twee rijen in de asci. Ze zijn elliptisch-cilindrisch, glad en hyaliene en meten ongeveer 12–15 × 5,5–6 µm. In een andere determinatieliteratuur wordt een sporenmaat van ongeveer 15–18 × 5–6 µm opgegeven.

De parafysen zijn talrijk, cilindrisch, kleurloos en stomp aan de top en ongeveer 2 µm breed.

Ecologie

Het helmuitbreekkommetje is een saprotroof van afgestorven kruidachtige plantendelen. In Nederland is de soort sterk gebonden aan helm en aan het zeeduinmilieu. De Nederlandse Verspreidingsatlas noemt afgevallen bladeren als het belangrijkste substraat.

Ook uit buitenlandse literatuur is de soort vooral bekend van dode bladeren en stengels van helm. De vruchtlichamen kunnen zowel in het bladweefsel verzonken blijven als door de epidermis naar buiten breken.

In Groot-Brittannië werden vruchtlichamen beschreven van april tot september op dode bladeren van helm. Een Britse beoordeling uit 2019 vermeldt de soort voornamelijk uit kustgebieden en uit vaste duingraslanden met helm.

Determinatie

Voor zekere determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk. Daarbij zijn met name de afmetingen en vorm van de asci en ascosporen en de jodiumreactie van de asci van belang. De Nederlandse Verspreidingsatlas beveelt daarnaast goed geconserveerd, indien nodig gedroogd, materiaal als bewijs aan.

Verspreiding

In Nederland komt het helmuitbreekkommetje 'zeer zeldzaam' voor. Deze zeldzaamheidsklasse is gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023.

De soort werd oorspronkelijk beschreven uit Frankrijk. Hij is ook bekend uit Groot-Brittannië, waar de vindplaatsen voornamelijk in kustgebieden liggen. Bij een Britse beoordeling uit 2019 waren veertien geografisch afzonderlijke vindplaatsen bekend.