Radicalisme

Radicalisme is het streven naar ingrijpende veranderingen van de bestaande politieke of maatschappelijke orde. De term wordt gebruikt voor uiteenlopende politieke stromingen en opvattingen en heeft niet in iedere historische of maatschappelijke context dezelfde betekenis. Radicale ideeën zijn niet noodzakelijk ondemocratisch of gewelddadig: zij kunnen ook deel uitmaken van het democratische debat en bijdragen aan het agenderen van nieuwe onderwerpen en belangen.

Historisch is radicalisme onder meer verbonden met bewegingen voor uitbreiding van het kiesrecht, republicanisme en vergaande politieke en sociale hervormingen. Britse en Franse radicalen streefden daarbij onder meer naar hervorming via parlementaire en andere wettelijke middelen.

In het hedendaagse veiligheidsbeleid worden radicalisering en extremisme afgebakend vanuit hun verhouding tot de democratische rechtsorde. Dit veiligheidskundige gebruik moet worden onderscheiden van het historische gebruik van radicalisme als aanduiding voor politieke hervormingsstromingen.

Woordherkomst

Het woord radicaal gaat via het Frans terug op het Latijnse radix, dat ‘wortel’ betekent.

Historische ontwikkeling

Groot-Brittannië

Het politieke gebruik van het woord radicaal ontstond in Engeland aan het einde van de achttiende eeuw. De introductie ervan wordt doorgaans in verband gebracht met Charles James Fox, die in 1797 pleitte voor een radical reform: een vergaande uitbreiding van het kiesrecht tot algemeen mannenkiesrecht. Vervolgens werd de aanduiding gebruikt voor voorstanders van parlementaire hervorming.

Na de kiesrechthervorming van 1832, die het kiesrecht slechts tot een deel van de middenklasse uitbreidde, bleven radicalen aandringen op verdere uitbreiding, ook tot de arbeidersklasse. Zij werkten daarbij samen met de Whigs. Na de hervorming van 1867 speelden radicalen een belangrijke rol bij de organisatie van nieuwe kiezers en bij de ontwikkeling van de Liberal Party.

Frankrijk

In Frankrijk ontwikkelde het radicalisme zich na de Julirevolutie van 1830. Het uit het Engels overgenomen woord radicaal werd gebruikt als alternatief voor republikein, omdat openlijke propaganda voor een republiek onder de Julimonarchie verboden was. Een deel van de radicalen streefde naar fundamentele hervormingen langs wettelijke weg en onderscheidde zich daarmee van revolutionaire socialisten.

Tijdens de Derde Franse Republiek kregen radicalen een belangrijke plaats in het politieke bestel. Tot hun hervormingsdoelen behoorden algemeen mannenkiesrecht, persvrijheid, vrijheid van vergadering en scheiding van kerk en staat. Na de nederlaag van de Parijse Commune in 1871 kozen radicale leiders zoals Léon Gambetta voor een pragmatischer koers, waarbij zij sommige verdergaande opvattingen afzwakten of loslieten.

In 1901 werd de Parti radical opgericht om verschillende radicale groeperingen in één organisatie te verenigen. De partij combineerde secularisme met steun voor particulier eigendom, sociale rechtvaardigheid en democratie. Zij speelde vervolgens een centrale rol in veel regeringen van de Derde Republiek.

In de twintigste eeuw namen de radicalen veelal een middenpositie in. De historische aanduiding radicaal bleef daarmee verbonden aan een partijtraditie die een gevestigde plaats in het politieke bestel had verworven. Hoewel hun electorale aanhang vanaf de jaren dertig terugliep, bleven de radicalen tijdens de Vierde Republiek (1946–1958) door hun centrale positie in het versnipperde parlement belangrijk voor de vorming van regeringen. Ook onder de Vijfde Republiek, vanaf 1958, bleven zij deelnemen aan uiteenlopende politieke samenwerkingsverbanden.

België

In het negentiende-eeuwse Belgische liberalisme stonden behoudsgezinde, doctrinaire liberalen tegenover progressieven, die ook als radicalen werden aangeduid. Binnen de Belgische Liberale Partij verschilden deze stromingen onder meer over het kiesrecht, onderwijs en sociale hervormingen. Een belangrijke vertegenwoordiger van de progressistische stroming was Paul Janson, die pleitte voor scheiding van kerk en staat, verbetering van de positie van arbeiders en gratis en verplicht lager onderwijs.

In 1887 organiseerden de progressisten zich in de Progressistische Partij. Op het oprichtingscongres onder voorzitterschap van Janson werd een programma aangenomen met onder meer uitbreiding van het stemrecht tot burgers die konden lezen en schrijven, verplicht niet-confessioneel lager onderwijs, scheiding van kerk en staat, regulering van kinder- en vrouwenarbeid en sociale rechten voor werknemers. Aanvankelijk ging de kiesrechteis dus niet uit van algemeen enkelvoudig stemrecht. Daarvoor koos het derde Progressistisch Congres alsnog.

De progressisten streefden naar samenwerking tussen arbeiders en burgerij. Hun sociale hervormingsdenken legde nadruk op onderwijs, zelfhulp, coöperaties en verzoening tussen arbeid en kapitaal, zonder de grondslagen van het kapitalisme aan te tasten.

In 1900 eindigde het zelfstandige partijproject: de liberale progressisten keerden terug naar de Liberale Partij en de socialistische deelnemers sloten zich aan bij de Belgische Werkliedenpartij. Sommige lokale progressistische groepen behielden nog langer hun zelfstandigheid.

Studentenradicalisme in de jaren zestig

In de late jaren vijftig en de jaren zestig ontstonden in West-Europa en Noord-Amerika uiteenlopende bewegingen en intellectuele stromingen die worden aangeduid als Nieuw Links. Studentenradicalisme vormde hiervan een belangrijk onderdeel. Veel van deze stromingen legden nadruk op directe actie en participatieve democratie en streefden naar zowel politieke als culturele verandering. Naast klassenverhoudingen stelden zij andere vormen van onderdrukking ter discussie, waaronder die op grond van afkomst en geslacht. Nieuw Links vormde geen ideologische eenheid. De protestbewegingen van Nieuw Links bereikten in 1968 een hoogtepunt.

In Frankrijk groeiden de studentenprotesten van mei 1968 uit tot een maatschappelijke crisis met omvangrijke stakingen. Studenten streefden onder meer naar doorbreking van autoritaire gezagsverhoudingen en democratisering van onderwijs en andere maatschappelijke instellingen. Tijdens de protesten vonden gewelddadige confrontaties met de politie plaats en werden barricades opgericht. De studentenprotesten en arbeidersstakingen kwamen samen in een brede protestbeweging, waarbij arbeiders ook eigen eisen over lonen en arbeidsomstandigheden naar voren brachten.

In West-Duitsland was Rudi Dutschke een belangrijke vertegenwoordiger van de studentenbeweging en de buitenparlementaire oppositie. Hij was actief binnen de Sozialistischer Deutscher Studentenbund (SDS). Volgens historicus Wolfgang Kraushaar ontwikkelde Dutschke al vóór 1968 ideeën over stadsguerrilla en bepleitte hij revolutionair geweld als antwoord op wat hij als het geweld van de bestaande maatschappelijke orde beschouwde. Tegelijkertijd keerde hij zich later tegen het terrorisme van de Rote Armee Fraktion (RAF). Kraushaar benadrukt daarom zowel de historische verbindingen tussen de studentenbeweging en de gewapende strijd als de politieke tegenstelling tussen Dutschke en de RAF.

De RAF ontstond in 1970 en pleegde onder meer bomaanslagen. Zij vertegenwoordigde niet Nieuw Links als geheel. Een minderheid van de activisten uit deze bredere beweging koos voor ondergrondse organisaties die geweld gebruikten; anderen sloten zich aan bij linkse partijen of bleven betrokken bij maatschappelijke bewegingen, waaronder de vrouwen- en milieubeweging.

Gebruik en afbakening

Verhouding tot het politieke spectrum

De aanduiding radicaal is niet uitsluitend verbonden met één positie op het politiek spectrum. Het woord is veelvuldig toegepast op linkse bewegingen, maar wordt ook gebruikt voor rechtse stromingen. In het gangbare Amerikaanse politieke taalgebruik kan radicalisme verwijzen naar politiek extremisme van zowel links als rechts.

Dit gebruik valt niet zonder meer samen met de historische betekenis van het begrip. Negentiende-eeuwse Britse radicalen streefden naar uitbreiding van het kiesrecht, terwijl Franse radicalen fundamentele hervormingen langs wettelijke weg nastreefden. De Franse radicale partijtraditie ontwikkelde zich bovendien tot een stroming die ook een middenpositie in het politieke bestel kon innemen.

Radicalisme, radicalisering en extremisme

Radicale ideeën zijn niet noodzakelijk ondemocratisch of gewelddadig. Het Vlaams Vredesinstituut benadrukt dat zij deel kunnen uitmaken van het democratische meningsverschil en nieuwe onderwerpen en belangen op de politieke agenda kunnen plaatsen. Het instituut onderscheidt dit van radicaliseringsprocessen die tot gewelddadig extremisme leiden.

In het Nederlandse veiligheidsbeleid staat de verhouding tot de democratische rechtsorde centraal. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) omschrijft radicalisering als een proces van groei naar extremisme, waarbij de bereidheid toeneemt om diep ingrijpende maatschappelijke veranderingen na te streven of te ondersteunen. De dienst verstaat onder extremisme de ideologisch gemotiveerde bereidheid om gewelddadige of niet-gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen.

Binnen deze afbakening is niet alleen het gebruik van geweld bepalend: ook niet-gewelddadige activiteiten kunnen volgens de AIVD extremistisch zijn wanneer zij de democratische rechtsorde ondermijnen. Daartegenover vallen ook uitgesproken linkse of rechtse partijen en organisaties buiten deze definitie wanneer zij binnen de kaders van die rechtsorde opereren. Activisme onderscheidt de dienst van extremisme doordat daarbij geen ondemocratische doelen worden nagestreefd en geen ondemocratische methoden worden gebruikt.

Nederland

Radicaal-liberalisme

In Nederland kreeg het radicaal-liberalisme aan het einde van de negentiende eeuw een partijpolitieke uitdrukking in de Radicale Bond, opgericht in november 1892. De Bond was op het gebied van kiesrecht en sociale vraagstukken vooruitstrevender dan de Liberale Unie. Hij streefde naar algemeen kiesrecht, afschaffing van de Eerste Kamer en invoering van de leerplicht. Sociale achterstanden moesten worden bestreden door onder meer verplichte verzekeringen tegen ziekte, invaliditeit en werkloosheid, verbetering van de huisvesting en wettelijke regeling van het arbeidscontract.

De partij had vertegenwoordigers in de Tweede Kamer en speelde daarnaast een rol in de gemeentepolitiek, vooral in Amsterdam. In 1901 ging de Radicale Bond met de afgescheiden linkervleugel van de Liberale Unie op in de Vrijzinnig-Democratische Bond.

Christelijk radicalisme

In de jaren zestig van de twintigste eeuw werd de aanduiding christenradicalen gebruikt voor vooruitstrevende groepen binnen de Nederlandse confessionele partijen. Zij verzetten zich onder meer tegen voortzetting van de centrumrechtse samenwerking en zochten toenadering tot andere progressieve partijen.

In 1968 ontstond de Politieke Partij Radikalen (PPR) uit christenradicalen die voornamelijk afkomstig waren uit de Katholieke Volkspartij en in mindere mate uit de Anti-Revolutionaire Partij. Volgens Parlement.com wilden de oprichters met de aanduiding christenradicalen geen afzonderlijke ideologie omschrijven. Zij wezen een directe koppeling tussen geloof en politiek af en stelden geen beginselprogramma op. Het woord ‘christelijk’ bleef buiten de partijnaam om ook gelijkgestemde niet-christenen aan te trekken.

In de loop van haar bestaan werd de christelijke inspiratie van de PPR minder bepalend. Onder leiding van Bas de Gaay Fortman richtte de partij zich onder meer op ontwikkelingssamenwerking, milieu, ontwapening en democratisering van de economie.

Een andere uitwerking kreeg het christelijk radicalisme in de Evangelische Volkspartij (EVP), opgericht in 1981. Tot haar voorgeschiedenis behoorden uit de ARP getreden christenradicalen. De EVP wilde een evangelische grondslag combineren met een progressieve of radicale politieke invalshoek. De Bijbel, met name de Bergrede, vormde haar inspiratiebron; vrede en ontwapening waren belangrijke thema's.

Binnen de EVP ontstond verdeeldheid over de politieke koers. Een stroming wilde een derde weg tussen kapitalisme en communisme, terwijl andere leden zich tegen deze koerswijziging verzetten. Uiteindelijk kreeg de vleugel die deze verdergaande koers bepleitte de overhand. De partij nam deel aan de vorming van GroenLinks en hief zich in 1991 op.

Het radicale midden

De uitdrukking het radicale midden is in Nederland gebruikt als politieke zelfpositionering door vertegenwoordigers van D66 en het CDA. In 2011 sprak D66-leider Alexander Pechtold over het ‘progressieve radicale midden’. Ook binnen het CDA werd de term gebruikt bij de voorbereiding van een nieuwe politieke koers.

In januari 2012 presenteerde het Strategisch Beraad van het CDA het rapport Kiezen en verbinden – politieke visie vanuit het radicale midden. Volgens het beraad hield deze koers in dat de partij zich niet moest laten leiden door de ‘dogma's van links of rechts’ en zich tegen polarisatie moest keren. De term werd daarmee gebruikt voor een beoogde politieke koers vanuit het midden, niet als aanduiding van een positie aan een uiterste van het politieke spectrum.

Zie ook

Zoek radicalisme op in het WikiWoordenboek.