Rob Chamuleau

Rob Chamuleau
Rob Chamuleau
Algemene informatie
Volledige naam Robert Antoine François Marie Chamuleau
Geboren 11 november 1941
Maastricht
Overleden 26 juli 2025
Bussum
Nationaliteit Nederlandse
Beroep Internist, hepatoloog
Bekend van AMC-BAL
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

R.A.F.M. (Rob) Chamuleau (Maastricht, 11 november 1941–Bussum, 26 juli 2025) was een Nederlands internist en hepatoloog, bekend als pionier en autoriteit in de ontwikkeling van een bio-artificiële lever.

Als internist-hepatoloog was hij verbonden aan het Academisch Medisch Centrum (AMC) van de universiteit van Amsterdam, waar hij als academisch hoofdspecialist zich wijdde aan patiëntenzorg, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en met zijn team de AMC-BAL ontwikkelde.

Levensloop

Chamuleau werd 11 november 1941 te Maastricht geboren als derde zoon van François Jean Chamuleau (1906-1974) en Elisabeth Carolina Marie van der Voort-Chamuleau (1903-1999).

Hij rondde zijn eindexamen in 1960 met lof af aan het gymnasium bèta van het Stanislascollege te Delft.

Chamuleaus liefde voor de lever is begonnen tijdens zijn studie geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij liep een stage op de afdeling biochemie in het lab van Joseph Tager waar hij de mitochondriale stikstofstofwisseling in de lever bestudeerde. Hij isoleerde onder andere levermitochondriën om hierin citrullineproductie (een snelheidsbepalende stap in ureumsynthese) te meten. De groten in het metabolismeonderzoek, onder wie Hans Krebs (ontdekker van de citroenzuur- en de ureumcyclus en Nobelprijswinnaar) vonden dat onderzoek in geïsoleerde mitochondriën nogal artificieel was. Op aanraden van Tager breidde Chamuleau zijn onderzoek naar het stikstofmetabolisme in de lever uit naar een experimentele opstelling van de intacte, geïsoleerd geperfundeerde rattenlever. Op dit onderzoek promoveerde hij in 1971, nadat hij zijn artsexamen in 1968 had gehaald.

Na zijn promotie werkte hij tijdens zijn militaire dienstplicht bij het Centraal Laboratorium voor de Bloedtransfusiedienst in Amsterdam. Op de afdeling cardiologie, waar onderzoek werd gedaan naar de cryopreservatie van hartcellen, hield hij zich bezig met het cryopreserveren van rattenlevers. Nadat de levers met een cryoprotectant waren geperfundeerd werden ze in vloeibare stikstof gevroren, vervolgens weer ontdooid en opnieuw geperfundeerd om te kijken naar de levensvatbaarheid en functie van de lever. De schade aan de leverfunctie was door het vriezen en ontdooien te groot en het onderzoek werd gestopt.

Chamuleau wilde internist worden met als aandachtsgebied de hepatologie, maar de lever was geen specialisme in die tijd. Hij deed zijn opleiding Algemene Interne Geneeskunde bij dr. L. Schalm en dr K-H. Brandt, beiden internist in het gemeente ziekenhuis Arnhem in 1972-1974 en vervolgens in het Binnengasthuis in Amsterdam, bij prof. J.G.G. Borst.

Chamuleaus eerste wapenfeit in het Binnengasthuis was een succesvolle leverbiopsie onder het toeziend oog van onder andere Borst die in principe geen voorstander was van invasief onderzoek bij patiënten, tenzij het niet anders kon. Er zouden sindsdien nog meer leverbiopsieën onder lokale verdoving volgen, omdat hun diagnostische bijdrage onmisbaar was.

In 1976 werd Chamuleau ingeschreven in het specialistenregister als algemeen internist met een leverprofiel. Tot 2006 was hij werkzaam als algemeen internist-hepatoloog op de afdeling interne, onder leiding van prof. A.M. van Leeuwen, en de Maag-darm-lever-afdeling, onder leiding van prof. Guido Tytgat, van het AMC. Van 1978 tot 1996 was hij tevens verbonden aan het Laboratorium voor Experimentele Inwendige Geneeskunde, dat onder leiding stond van prof. J. van Gool, aanvankelijk als assistent-professor en later als associate professor. Vanuit die positie deed hij wetenschappelijk onderzoek, gaf hij onderwijs aan medische studenten en was hij copromotor bij twintig promovendi en publiceerde hij ruim tweehonderd artikelen in internationaal peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften. Zijn grote ideaal was de ontwikkeling van een kunstlever die levensreddend zou zijn voor patiënten met ernstig leverfalen wachtend op levertransplantatie.

De kunstlever met xenotransplantatie

Ernstig levensbedreigend leverfalen komt voor in acute situaties, zoals een heftig verlopende virale hepatitis of overdosis paracetamol, maar ook in het kader van een decompenserende levercirrose. Levertransplantatie is dan de enig levensreddende behandeling. In Engeland werden patiënten met acuut leverfalen in de wachttijd voor een geschikt transplantaat behandeld door hun bloedcirculatie aan te sluiten op een externe kolom gevuld met actieve kool (hemoperfusie) om circulerende toxische stoffen uit het bloed te verwijderen. Deze behandeling was weinig specifiek en gaf stollingsproblemen. Mogelijk konden de stollingsproblemen opgelost door de actieve kool te voorzien van een trombocytenvriendelijke coating. Chamuleau verwierf toen in samenwerking met de TU Twente een STW-subsidie om de hemoperfusie te optimaliseren. Met succes werd actieve kool met een dunne coating ontwikkeld en getest in proefdieren. Stollingsproblemen waren opgelost, maar de aspecifieke werking niet. Hiervoor werden andere adsorbentia dan actieve kool onderzocht onder andere XAD-resin. Aspecificiteit bleef een probleem. De oplossing moest komen van een bioartificiële lever (BAL), waarbij het bloed of plasma van de patiënt buiten het lichaam werd geleid door een kolom met actieve goed functionerende levercellen. Met een MLDS-subsidie werd dat onderzoek gestart. In 1995 testte Chamuleaus promovendus Leonard Flendrig met succes de eerste AMC-BAL gevuld met varkenshepatocyten in vitro en bij ratten met acuut leverfalen. Met een Marie Curie-beurs toonde Chamuleau de effectieve en veilige werking van de AMC-BAL gevuld met varkenshepatocyten in het Cardarelli hospitaal, onder leiding van dr. F. Calise, in het Italiaanse Napels aan bij varkens met acuut leverfalen. Dit succes werd gevolgd door Fase I/IIa-studie in Napels en Rome bij veertien patiënten met acuut leverfalen: dertien patiënten werden succesvol overbrugd naar transplantatie en één patiënt kon na de behandeling zelfs naar huis zonder levertransplantatie. In 2000 werd echter een Europees moratorium op klinische toepassing van xenotransplantatie ingesteld, waardoor het onderzoek rondom de BAL met varkenshepatocyten stil viel.

De kunstlever met menselijke levercellen

In 2001 werd onder Chamuleau Hep-Art Medical Devices BV opgericht, een spin-offbedrijf van het AMC, dat de bioartificiële lever verder zou ontwikkelen. Maar vanwege het ingestelde moratorium kon het onderzoek alleen maar succesvol worden als de BAL gevuld kon worden met voldoende functionerende menselijke levercellen. Die waren op dat moment onvoldoende voorhanden. De oplossing moest gezocht worden in een goed functionerende humane levercellijn. In 2012 slaagde het team er inderdaad in onder leiding van postdoc Ruurdtje Hoekstra een bestaande humane levercellijn (HepaRG) geschikt te maken voor de AMC-BAL. Effectiviteit en veiligheid werd aangetoond bij ratten met acuut leverfalen door promovendus Geert Nibourg. In samenwerking met de Royal Infirmary of Edinburgh, onder leiding van prof. John Plevris, een ziekenhuis dat veel onderzoek doet naar acuut leverfalen, begon Chamuleau in 2014 met zijn onderzoeksteam de BAL met HepaRG-cellen bij varkens testen. Hierna werden de voorbereidingen getroffen voor een Fase I/II trial bij patiënten met acuut leverfalen wachtend op transplantatie.

De AMC-BAL kende zijns gelijke niet ondanks competitie uit de hele wereld. Helaas kende het opschalen van de HepaRG cellen tot grote hoeveelheden (een BAL zou circa 14-20 miljard levende cellen moeten bevatten, gekweekt onder Good Manufacturing Practice, GMP) grote en aanvankelijk onoplosbare problemen. Meer ontwikkeling en geld was nodig om dit op te lossen. Pogingen om verdere financiering te verwerven via venture capitalists en/of overheids- of EU-subsidies waren ontoereikend en Anno 2021 is de onderzoeksgroep van Chamuleau, die inmiddels 15 jaar had doorgewerkt na zijn pensioen in 2006, met het BAL-onderzoek moeten stoppen.

Nalatenschap

Chamuleaus wetenschappelijke output is terug te vinden in ruim 200 publicaties in internationaal gerefereerde tijdschriften. Inclusief het kunstleveronderzoek superviseerde hij 19 promovendi bij hun promotieonderzoek tot doctor in de geneeskunde aan de universiteit van Amsterdam. Met die onderzoekingen leverde hij belangrijke bijdragen aan de pathophysiologie van hepatische encefalopathie, fibrose van de lever onder cholestatische condities, de behandeling van chronische hepatitis B en C, de regulatie van genexpressie in de lever in vivo tijdens leverregeneratie en de ontwikkeling van hepatocellulair carcinoom. De verbetering van levercelkweken onder 3D-omstandigheden en dynamische in plaats van statische condities. Hij was de eerste die magnetische resonantiespectroscopie toepaste, samen met de TU Delft, waar dr W.M.M.J. Bovée betrokken was, bij onderzoek naar het mechanisme van levercoma bij het proefdier en later bij de mens. Ook was hij de eerste die de ademanalyse van volatile organic compounds toepaste als diagnosticum voor acuut leverfalen in de rat.

Publicaties