| Roy Watling | ||
|---|---|---|
| Persoonlijke gegevens | ||
| Titulatuur/graad | Doctor of Science | |
| Geboortedatum | 1938 | |
| Geboorteplaats | Schotland | |
| Academische achtergrond | ||
| Alma mater | Universiteit van Sheffield (Doctor of Science), Universiteit van Edinburgh (1965) | |
| Opleiding/studierichting | plantkunde | |
| Wetenschappelijk werk | ||
| Vakgebied | plantkunde | |
| Erkenning en lidmaatschap | ||
| Lid van | Royal Society of Edinburgh | |
Roy Watling (1938) is een Schotse mycoloog en botanicus. Hij is vooral bekend vanwege zijn onderzoek naar de taxonomie en ecologie van schimmels, in het bijzonder plaatjeszwammen, boleten en soorten uit de familie Bolbitiaceae. Hij was hoofd van de afdeling mycologie en plantenpathologie van de Royal Botanic Garden Edinburgh en leverde een belangrijke bijdrage aan de meerdelige determinatiereeks British Fungus Flora: Agarics and Boleti.
Watling studeerde plantkunde aan de Universiteit van Sheffield, waar hij zijn studie met onderscheiding afrondde. In 1962 trad hij in dienst bij de Royal Botanic Garden Edinburgh. In 1965 promoveerde hij aan de Universiteit van Edinburgh op een taxonomisch onderzoek naar de familie Bolbitiaceae. Later behaalde hij aan de Universiteit van Sheffield de graad Doctor of Science (DSc).
Bij de Royal Botanic Garden Edinburgh begon hij als wetenschappelijk medewerker en werd hij uiteindelijk hoofd van de afdeling mycologie en plantenpathologie. Daarnaast was hij tijdelijk waarnemend directeur (Acting Regius Keeper) van de botanische tuin.
Watling was ook verbonden aan verschillende buitenlandse universiteiten. Hij verrichtte onderzoek aan de Michigan State University in de Verenigde Staten en was gast- en honorair hoogleraar aan universiteiten in Thailand, waaronder de Ramkhamhaeng-universiteit in Bangkok.
Zijn mycologische veldonderzoek bracht hem onder meer naar Australië, Kameroen, India, Maleisië, Thailand en Zambia. Naast zijn wetenschappelijke werkzaamheden gaf hij lezingen, begeleidde hij excursies en verzorgde hij onderwijs voor zowel professionele onderzoekers als amateurmycologen.
Een belangrijk onderdeel van Watlings onderzoek betreft de taxonomie en systematiek van plaatjeszwammen en boleten. Hij specialiseerde zich onder meer in de Bolbitiaceae en bestudeerde geslachten als Conocybe, Bolbitius en Agrocybe.
Zijn proefschrift uit 1965 behandelde de taxonomie van de Bolbitiaceae. In 1982 publiceerde hij een uitgebreide bewerking van deze groep als derde deel van de reeks British Fungus Flora: Agarics and Boleti. Hierin behandelde hij de Britse soorten met determinatiesleutels, soortbeschrijvingen en gegevens over hun ecologie.
Watling werkte eveneens aan de systematiek van boleten en verwante groepen. In 1970 verscheen zijn behandeling van de families Boletaceae, Gomphidiaceae en Paxillaceae als eerste deel van de British Fungus Flora.
Daarnaast verrichtte hij taxonomisch onderzoek naar onder andere Armillaria, Galerina en andere geslachten van plaatjeszwammen. In zijn publicaties behandelde hij zowel de afbakening van soorten als hun nomenclatuur en onderlinge verwantschappen.
Watling onderzocht de verspreiding en ecologie van schimmels in uiteenlopende ecosystemen. Een belangrijk deel van zijn onderzoek had betrekking op de Schotse mycoflora, waaronder die van de Hebriden, de Orkneyeilanden en de Shetlandeilanden. Hij bestudeerde ook de samenstelling van schimmelgemeenschappen in bossen en de relaties tussen ectomycorrhizavormende schimmels en hun boompartners.
Bij de botanische tuin van Dawyck was hij betrokken bij langdurig onderzoek naar de schimmeldiversiteit van Heron Wood. Hierbij werden onder meer seizoensveranderingen in de schimmelflora onderzocht.
Een ander onderzoeksgebied betrof coprofiele schimmels, soorten die op mest groeien. Samen met de mycoloog Michael J. Richardson publiceerde Watling determinatiesleutels voor deze groep. In 2010 beschreven zij de coprofiele schimmelflora van de Falklandeilanden, waarbij 97 taxa werden geregistreerd.
Zijn onderzoek strekte zich ook uit tot de tropen. Hij werkte onder meer aan de schimmelflora van Zuidoost-Azië en Afrika. In 2014 was hij mede-auteur van de oorspronkelijke beschrijving van Astraeus sirindhorniae, een nieuwe soort uit Thailand.
Watling hield zich tevens bezig met de chemische en ecologische processen waarbij schimmels betrokken zijn. Samen met David B. Harper onderzocht hij de productie van chloormethaan door houtafbrekende schimmels en de mogelijke bijdrage hiervan aan de concentratie van deze verbinding in de atmosfeer.
Daarnaast hield hij zich bezig met de herkenning van giftige paddenstoelen en adviseerde hij medische professionals bij het vaststellen van soorten die betrokken waren bij vergiftigingen. Ook bestudeerde hij de mycologische werkzaamheden van de Britse schrijfster en illustratrice Beatrix Potter.
Watling was voorzitter van de British Mycological Society en van de Botanical Society of Scotland. Van laatstgenoemde vereniging bekleedde hij het voorzitterschap van 1984 tot 1986.
Hij is erelid van de Mycological Society of America en de Deutsche Gesellschaft für Mykologie. Daarnaast is hij corresponderend lid van de Nederlandse Mycologische Vereniging.
Naast zijn wetenschappelijke publicaties droeg hij bij aan de popularisering van de mycologie door middel van excursies, lezingen, determinatiebijeenkomsten en publieksgerichte boeken.
Watling ontving verschillende onderscheidingen voor zijn bijdrage aan de mycologie en natuurbescherming:
Watling publiceerde meer dan 150 wetenschappelijke en populairwetenschappelijke artikelen en leverde bijdragen aan talrijke boeken en determinatiewerken.
Een selectie van zijn belangrijkste publicaties: