| Framboos | ||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||||
| Rubus idaeus L. (1753) | ||||||||||||||||||||
| Bloeiwijze | ||||||||||||||||||||
| Loganbes | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
Framboos (Rubus idaeus) is een plantensoort uit de rozenfamilie (Rosaceae). De plant is vooral bekend vanwege haar vruchten, die veel voor consumptiedoeleinden worden gebruikt. De vruchten worden vaak (eveneens) 'frambozen' genoemd.
Framboos is een bladverliezende (half)struik die van nature een hoogte bereikt van ± 0,50–1,50 m. Gewoonlijk worden er elk jaar nieuwe stengels gevormd uit wortelopslag. De soort vormt rechtopstaande bladloten met donkerpaarse stekels. De bladeren zijn 3–5-tallig geveerd. De onderzijde van het blad is grijswit, viltig behaard. Framboos bloeit van mei tot juli. De bloemen hebben witte, smal-elliptische kroonbladen die korter zijn dan de kelkbladen.
Bij zomerframboos dragen alleen de tweejarige stengels vrucht, waarna deze afsterven. Bij herfstframboos dragen daarentegen de toppen van de eenjarige scheuten de vruchten. De vrucht is een verzamelsteenvrucht. In tegenstelling tot veel andere braamsoorten laten de vruchten van framboos makkelijk los van de bloembodem. De meeste rassen dragen rode vruchten, er zijn ook enkele rassen met gele vruchten.
Framboos groeit veelal op mesotrofe tot meso-eutrofe, min of meer vochthoudende grond. Haar optimum ligt in de halfschaduw. Ze wordt veelal aangetroffen in bosranden, langs bospaden, op open plekken en op kapvlakten. Eenmaal uit zaad opgekomen verbreidt de plant zich verder door wortelopslag.
In de syntaxonomie staat framboos binnen de struweelformaties te boek als kensoort voor het mede naar haar vernoemde verbond van wijfjesvaren en framboos (Athyrio-Rubion idaei). In bosformaties geldt zij als differentiërend taxon voor het onderverbond Circaeo-Alnenion.
Het natuurlijke verspreidingsgebied van framboos strekt zich uit over bijna heel Europa, grote delen van Azië en Noord-Amerika. Ze is ingevoerd in IJsland, Nieuw-Zeeland en Brazilië.
De vrucht wordt al sinds de vroegste tijden door de mens gegeten. De teelt gaat terug tot de middeleeuwen.
Door verschillende teeltmethoden toe te passen kan de oogst over een lange periode, van eind april tot eind december, gespreid worden.
Teelt van frambozen in Nederland:
| Jaartal | ha |
|---|---|
| 1997 | 46 |
| 2000 | 36 |
| 2001 | 31 |
| 2002 | 32 |
| 2003 | 31 |
| 2004 | 29 |
| 2005 | 30 |
Binnen het geslacht braam zijn vele soortkruisingen uitgevoerd. De meeste hybriden zijn voor de beroepsteelt niet belangrijk. Een klein aantal hybriden wordt echter wel op kleine schaal aangeplant, zoals loganbes en taybes. Ook het ras ' Silvan' is een soorthybride van framboos en een andere braamsoort. De rassen kunnen worden ingedeeld in twee groepen: zomerframbozen en herfstframbozen.



De bloei is van eind mei tot eind juni. Framboos kan zich zelf bestuiven, maar insectenbestuiving, met name door bijen en hommels, bevordert de vruchtzetting. Er zijn, afhankelijk van het ras, bij zomerframbozen rijpe vruchten vanaf eind juni tot half augustus. Per ras duurt de oogst ongeveer vier weken. Het verschil in rijptijd tussen het vroegste en laatste ras is ongeveer twee weken. Bij herfstframbozen zijn er rijpe vruchten vanaf begin augustus tot de eerste week van oktober soms zelfs tot de eerste nachtvorst en bij een doorteelt ook in mei tot half juli. Per ras duurt de oogst bij herfstframbozen zes tot acht weken.
Framboos wordt vegetatief vermeerderd door wortelstekken, zomerstekken en afleggen, maar kan ook vermeerderd worden uit zaad. Om de eigenschap van de moederplant en dus het ras te behouden, moet deze echter op vegetatieve wijze worden vermeerderd.


Van framboos worden alleen de vruchten gegeten. De vruchten hebben een specifieke smaak en zijn afhankelijk van het ras lichtrood tot donkerrood gekleurd. Ook komen rassen voor met geelgekleurde vruchten. Frambozen worden zowel vers gegeten als verwerkt in frambozenjam, vruchten op siroop, tot bavarois, tot sap, tot puree, verwerkt in gelei, taarten en saus. Frambozen worden ook als losse vruchten ingevroren.
Van de bladeren kan thee worden getrokken. Hiervoor dienen ze, na het plukken, eerst te worden gedroogd op een droge en luchtige plaats.
De bloemen werden door Dodonaeus in een mengsel met honing aanbevolen tegen onder meer ooginfecties. Frambozen worden ook gebruikt in medicijnen om er een lekker smaakje aan te geven.
Zoals alle vruchten heeft ook framboos een lage pH-waarde, die varieert van 3,0–3,65. Een liter frambozensap bevat 12–19 g zuur (gemiddeld 15,5 g), waarvan citroenzuur het hoofdbestanddeel is. Verder komen als organische zuren nog appelzuur en iso-citroenzuur voor.
Framboos bevat gemiddeld 8,15% suiker bestaande uit glucose, fructose en sacharose in ongeveer gelijke hoeveelheden. De Brix-waarde is 8,5–11,5°. Daarnaast bevatten frambozen 1% eiwit en 7% koolhydraten. De energie-inhoud van 100 g is 134 kJ.
Verder zitten in frambozen vooral vitamine C, maar ook de vitaminen B2 en B6 komen erin voor.
Daarnaast blijkt dat framboos een hoog gehalte aan gezondheidsbevorderende stoffen zoals antioxidanten heeft. Ongeveer de helft van de anti-oxidantwerking wordt vermoedelijk veroorzaakt door ellagitannines, maar de positieve invloed hiervan is niet bewezen.

Frambozen zijn zeer vatbaar voor het mozaïekvirus. Bij de beroepsteelt wordt virusvrij plantmateriaal aangeplant. De aanplant wordt zo lang mogelijk virusvrij gehouden. Frambozen bij volkstuinders zijn bijna allemaal besmet met het mozaïekvirus.
De frambozenkever (Byturus tomentosus) kan in de beroepsteelt makkelijk worden bestreden.[bron?] Wordt er geen bestrijding toegepast dan kan tussen de bloembodem en de vrucht de larve van de frambozenkever voorkomen. Bij het plukken kruipt de larve snel uit de vrucht weg en valt naar de grond. De frambozenschorsgalmug (Resseliella theobaldi) kan veel schade aanrichten.
Van de schimmelziekten kan grauwe schimmel (Botryotinia fuckeliana) die vruchtrot veroorzaakt, stengelsterfte (Leptosphaeria coniothyrium), stengelvlekkenziekte (Elsinoe veneta), twijgsterfte (Didymella applanata), wortelsterfte (Phytophthorae fragariae var. rubi) en meeldauw (Sphaerotheca aphani) op framboos voorkomen.