Valse pastelrussula

Valse pastelrussula
Valse pastelrussula
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:ongeplaatst (incertae sedis)
Orde:Russulales
Familie:Russulaceae
Geslacht:Russula
Soort
Russula amoenicolor
Romagn. (1962)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De valse pastelrussula (Russula amoenicolor) is een schimmel uit de familie Russulaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen, waaronder beuk (Fagus) en eik (Quercus). Hij behoort tot een groep russula's met een doorgaans matte tot fluwelige hoed, een milde smaak en vaak roze of violette tinten op de steel.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed is 3 tot 8 (soms 10) cm breed. Aanvankelijk is deze gewelfd, later uitgespreid met een ondiep ingedeukt centrum. De kleur varieert van roodbruin en violetbruin tot grijsachtig olijfgroen. De hoedrand is bij volwassen exemplaren kort gegroefd. De hoedhuid is ongeveer tot de helft van de straal af te trekken.

Lamellen

De lamellen zijn aanvankelijk crèmeachtig en worden later botergeel. De lamelsneden kunnen roodachtige tot violette tinten vertonen. De lamellen zijn enigszins buigzaam.

Steel

De steel is 3 tot 7 cm lang en 1 tot 2 cm dik. Hij is cilindrisch, vaak naar de basis versmald en aanvankelijk stevig en gevuld. Bij oudere vruchtlichamen kan het binnenste kamervormig worden. De steel is wit, dikwijls met een roze of violette zweem.

Vlees

Het vlees is wit en kan plaatselijk een roestige verkleuring vertonen.

Geur en smaak

De smaak is mild en niet scherp. De geur is karakteristiek haringachtig en wordt wel vergeleken met die van de vissige melkzwam (Lactifluus volemus). In de literatuur wordt de geur ook omschreven als die van gekookte schaaldieren of kokende aardpeer.

Sporenpoeder

De sporee is crèmekleurig, ongeveer IIc–IId volgens de kleurenschaal van Romagnesi.

Chemische reacties

Bij de determinatie zijn de volgende reacties van belang:

Microscopische kenmerken

De sporen zijn breed ellipsvormig tot bijna bolvormig en meten 6–8,5 × 5–8 µm. De sporenwand heeft een ornamentatie van wratten en ribben die gedeeltelijk met elkaar verbonden zijn en een onvolledig netwerk vormen.

Ecologie

De valse pastelrussula is een ectomycorrhizavormende soort die voorkomt in loofbossen en gemengde bossen. Als mogelijke waardbomen worden onder meer eiken, beuken, dennen en zilversparren genoemd. De soort wordt in Midden-Europa vooral van kiezelhoudende bodems gemeld. De vruchtlichamen verschijnen doorgaans van juni tot oktober.

In de Nederlandse literatuur wordt de soort vermeld van loofbossen op lemige zandgrond, in verband met beuk en eik.

Gelijkende soorten

De valse pastelrussula lijkt op enkele nauw verwante russula's:

Verspreiding

Europese landen waar de valse pastelrussula voorkomt

De valse pastelrussula is bekend uit verschillende Europese landen, waaronder Tsjechië en Italië.

In Nederland is het voorkomen onzeker. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 worden oude vondsten bij Sint Odiliënberg (1955–1975) en Roden (1981) genoemd. De melding uit Roden is later als twijfelachtig beschouwd, omdat bewijsmateriaal ontbreekt en de soort moeilijk te onderscheiden is van de paarsstelige pastelrussula.

In de Nederlandse Rode Lijst van 2008 werd de soort als verdwenen beschouwd. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is er echter nog geen afdoende bewijs dat de soort daadwerkelijk in Nederland voorkomt. Voor een betrouwbare bevestiging wordt DNA-barcodering noodzakelijk geacht.

Taxonomie

De wetenschappelijke naam Russula amoenicolor werd in 1962 gepubliceerd door de Franse mycoloog Henri Romagnesi. De soort wordt door Species Fungorum als geaccepteerde soort erkend.