| Valse pastelrussula | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Russula amoenicolor Romagn. (1962) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De valse pastelrussula (Russula amoenicolor) is een schimmel uit de familie Russulaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen, waaronder beuk (Fagus) en eik (Quercus). Hij behoort tot een groep russula's met een doorgaans matte tot fluwelige hoed, een milde smaak en vaak roze of violette tinten op de steel.
De hoed is 3 tot 8 (soms 10) cm breed. Aanvankelijk is deze gewelfd, later uitgespreid met een ondiep ingedeukt centrum. De kleur varieert van roodbruin en violetbruin tot grijsachtig olijfgroen. De hoedrand is bij volwassen exemplaren kort gegroefd. De hoedhuid is ongeveer tot de helft van de straal af te trekken.
De lamellen zijn aanvankelijk crèmeachtig en worden later botergeel. De lamelsneden kunnen roodachtige tot violette tinten vertonen. De lamellen zijn enigszins buigzaam.
De steel is 3 tot 7 cm lang en 1 tot 2 cm dik. Hij is cilindrisch, vaak naar de basis versmald en aanvankelijk stevig en gevuld. Bij oudere vruchtlichamen kan het binnenste kamervormig worden. De steel is wit, dikwijls met een roze of violette zweem.
Het vlees is wit en kan plaatselijk een roestige verkleuring vertonen.
De smaak is mild en niet scherp. De geur is karakteristiek haringachtig en wordt wel vergeleken met die van de vissige melkzwam (Lactifluus volemus). In de literatuur wordt de geur ook omschreven als die van gekookte schaaldieren of kokende aardpeer.
De sporee is crèmekleurig, ongeveer IIc–IId volgens de kleurenschaal van Romagnesi.
Bij de determinatie zijn de volgende reacties van belang:
De sporen zijn breed ellipsvormig tot bijna bolvormig en meten 6–8,5 × 5–8 µm. De sporenwand heeft een ornamentatie van wratten en ribben die gedeeltelijk met elkaar verbonden zijn en een onvolledig netwerk vormen.
De valse pastelrussula is een ectomycorrhizavormende soort die voorkomt in loofbossen en gemengde bossen. Als mogelijke waardbomen worden onder meer eiken, beuken, dennen en zilversparren genoemd. De soort wordt in Midden-Europa vooral van kiezelhoudende bodems gemeld. De vruchtlichamen verschijnen doorgaans van juni tot oktober.
In de Nederlandse literatuur wordt de soort vermeld van loofbossen op lemige zandgrond, in verband met beuk en eik.
De valse pastelrussula lijkt op enkele nauw verwante russula's:

De valse pastelrussula is bekend uit verschillende Europese landen, waaronder Tsjechië en Italië.
In Nederland is het voorkomen onzeker. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 worden oude vondsten bij Sint Odiliënberg (1955–1975) en Roden (1981) genoemd. De melding uit Roden is later als twijfelachtig beschouwd, omdat bewijsmateriaal ontbreekt en de soort moeilijk te onderscheiden is van de paarsstelige pastelrussula.
In de Nederlandse Rode Lijst van 2008 werd de soort als verdwenen beschouwd. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is er echter nog geen afdoende bewijs dat de soort daadwerkelijk in Nederland voorkomt. Voor een betrouwbare bevestiging wordt DNA-barcodering noodzakelijk geacht.
De wetenschappelijke naam Russula amoenicolor werd in 1962 gepubliceerd door de Franse mycoloog Henri Romagnesi. De soort wordt door Species Fungorum als geaccepteerde soort erkend.