| Oranje russula | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Russula aurantiaca (Jul. Schäff.) Romagn. (1967) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Russula integra var. aurantiaca | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De oranje russula (Russula aurantiaca) is een schimmel uit de familie Russulaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen, vooral berken (Betula). Hij groeit onder meer in vochtige lanen en loofbossen. De soort wordt gekenmerkt door een oranje tot baksteenrode hoed, geel sporenpoeder en een doorgaans milde smaak.
De hoed heeft doorgaans een diameter van 5 tot 7 cm, met uitschieters van 3 tot 9 cm. Hij is aanvankelijk gewelfd, wordt spoedig vlak en krijgt vervolgens een enigszins ingedeukt centrum. De kleur varieert van dooieroranje tot baksteenoranje, soms met roodachtige of aardbeirode tinten. Het centrum is vaak nauwelijks donkerder dan de rest van de hoed. De hoedrand is aanvankelijk glad, maar kan op latere leeftijd over een deel van zijn breedte gegroefd en gestreept raken. De hoedhuid is gewoonlijk glanzend, maar kan bij uitdroging mat worden.
De lamellen staan betrekkelijk ver uiteen en zijn weinig vertakt. Ze zijn aanvankelijk crèmegeel en worden later geel tot okergeel.
De steel is doorgaans 4,5 tot 7,2 cm lang en 1 tot 1,8 cm dik. Hij is meestal regelmatig cilindrisch en witachtig, maar vaak gedeeltelijk of vrijwel geheel roze tot zalmroze gekleurd. Soms vertoont de roze kleur een gelige zweem. Geheel witte stelen komen eveneens voor.
Het vlees is wit en aanvankelijk stevig. De smaak is overwegend mild. De geur is doorgaans onopvallend, maar wordt soms als fruitig beschreven.
Bij toepassing van IJzer(II)sulfaat (FeSO₄) ontstaat een lichtroze verkleuring. De reactie met guajak is snel en sterk positief. Met fenol treedt een normale, niet-soortspecifieke verkleuring op.
De sporenafdruk is goudgeel, overeenkomend met kleurcategorie IVc volgens de schaal van Romagnesi.
De sporen meten doorgaans 7–9 × 6–7,5 µm, met uiterste waarden van 6,5 µm in lengte en 5 µm in breedte. Ze zijn kort ellipsoïde tot bijna bolvormig en bezitten een ornamentatie van afzonderlijke, stompe stekels of wratten, die plaatselijk door fijne ribben verbonden zijn. De ornamentatie bereikt een hoogte van ongeveer 1 µm.
De cystiden in de hoedhuid zijn verspreid aanwezig, draadvormig tot zwak knotsvormig en ongeveer 3–7 µm breed.
De oranje russula is een ectomycorrhizavormende soort die vooral met berken (Betula) samenleeft. Er zijn ook vondsten bekend bij eiken (Quercus).
In Nederland groeit de soort voornamelijk in vochtige, voedselrijke lanen op humusarme kleigrond. Elders in Europa is hij eveneens aangetroffen in berkenbossen op zandige bodems en in vochtige tot moerassige bossen. De vruchtlichamen verschijnen vooral in de zomer en vroege herfst.
De oranje russula is bekend uit verschillende Europese landen, waaronder Nederland, Duitsland en Polen. De soort wordt in grote delen van zijn verspreidingsgebied slechts sporadisch aangetroffen.
In Nederland komt de oranje russula zeer zeldzaam voor. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland (1995) worden vondsten bij Amerongen en Werkhoven vermeld. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 staat de soort in de categorie 'Gevoelig'.
De oranje russula kan worden verward met de zalmsteelrussula (Russula font-queri), die eveneens bij berken voorkomt en een vergelijkbare hoed- en steelkleur kan hebben. Een belangrijk onderscheid is de sporenpoederkleur: bij de oranje russula is deze goudgeel (IVc), terwijl de zalmsteelrussula doorgaans lichter geel sporenpoeder heeft (IVa–IVb). De microscopische kenmerken kunnen sterk overeenkomen, waardoor de beide soorten moeilijk te onderscheiden zijn.
De soort werd in 1933 door de Duitse mycoloog Julius Schäffer beschreven als Russula integra var. aurantiaca. In 1967 verhief Henri Romagnesi het taxon tot soort onder de naam Russula aurantiaca.