| Ruth de Jonge | ||||
|---|---|---|---|---|
| Volledige naam | Ruth van Dam-de Jonge | |||
| Geboren | 4 maart 1921, Weener | |||
| Overleden | 14 mei 2020, Oradell | |||
| Geboorteland | ||||
| Ook bekend als | Annie Klarendijk | |||
| Jaren actief | 1942-1945 | |||
| ||||
Ruth de Jonge (Weener, 4 maart 1921 - Oradell, 14 mei 2020) was een Joodse verzetsstrijder, geboren in Duitsland en later woonachtig in Nederland.
Zij hielp de familie waar ze onderdook met het onderbrengen van Joodse kinderen die vanuit Amsterdam naar Friesland werden gesmokkeld en het ondersteunen van hun pleeggezinnen. Daarnaast was ze betrokken bij Knokploeg Leeuwarden.
Ruth de Jonge werd geboren in Weener, een klein stadje in Noord-Duitsland nabij de grens met Nederland. Ze groeide op in een geassimileerd Joods gezin. Haar ouders waren machinehandelaar Jakob de Jonge (1874-1947) en Jeannette Hess (1891-1977). Zij had twee broers: Heinrich-Heini (1913-1984) en Joachim-Max (1925-2008). Nadat het nazi-regime in 1933 aan de macht was gekomen, werd het steeds onveiliger voor het gezin om in Duitsland te wonen. Tijdens de Kristallnacht werd het hele gezin opgepakt en Jakob de Jonge werd enkele weken opgesloten in concentratiekamp Sachsenhausen. In 1938 verhuisden ze naar Nederland. Ze woonden in een huis aan het Zaailand in Leeuwarden.
Toen er in 1942 deportaties van Joden op grote schaal plaatsvonden en het gezin een oproep kreeg om zich te melden voor transport naar kamp Westerbork, besloten zij onder te duiken. Ze kregen hierbij hulp van Krijn van den Helm (1912-1944), belastingambtenaar en later de leider van Knokploeg (KP) Leeuwarden. Hoewel de andere gezinsleden voor een achterafbetaling van ruim 35.000 gulden onderdoken bij een gezin in Heerenveen, dook Ruth de Jonge onder bij Van den Helm en zijn vrouw.
Zij hielp hem met het onderbrengen van Joodse kinderen, die vanuit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam naar Friesland werden gesmokkeld. De Jonge verzorgde de administratie, zodat de kinderen later weer teruggevonden en met hun gezin herenigd konden worden. Daarnaast bracht ze voedselbonnen naar hun pleeggezinnen. Verder paste ze op het zoontje van Van den Helm en ving ze de vele bezoekers van het huis op. Het gezin had ook een klein Joods meisje in huis genomen: Freddy (Donsje) Kater. Ook zij werd door De Jonge verzorgd.
Ze ging in het Heerenveense ziekenhuis aan de slag als 'verpleegster', om in contact te blijven met de verzetsleden die daar gewond waren opgenomen. Ook hielp ze de KP door zich als verpleegster of verloskundige voor te doen en zo in de gaten te houden waar de Duitsers zich ophielden. Dit deed ze onder andere door de nummers van hun wagens te noteren.
Van den Helm werd in augustus 1944 na verraad doodgeschoten door de Sicherheitspolizei. De Jonge was hiervan getuige. Zij deed zich voor als dienstmeisje en ruimde het bloed op. Met zijn zwangere vrouw, zoontje en Donsje vluchtte ze naar Bakhuizen. Hier maakten zij in april 1945 de bevrijding mee.
Na de oorlog schreven De Jonge en haar familie brieven over welke bekenden de oorlog hebben overleefd of van wie nog niets is vernomen. De Jonge beschreef hierin haar onderduiktijd en dat ze in het verzet had gezeten. Zij stelde in een brief: "Als ik weer ga duiken doe ik het beslist anders. Mijn ouders en broers hebben het werkelijk niet slecht gehad altijd met zijn vieren bij elkaar. Ik ben altijd alleen geweest. Ze mochten niet weten waar ik was omdat ik in het ondergrondse werk zat. Reuzeleuk werk. Wel gevaarlijk, maar zou het nooit gemist willen hebben." Haar moeder schreef in een brief over Van den Helm. Ook noemde ze dat haar gezin hun voormalige woning in Leeuwarden had teruggekregen. Het bleek dat het huis was geplunderd en alle spullen die ze hadden uitgeleend waren verdwenen.
In 1945 verloofde De Jonge zich met chemicus Max van Dam (1915-1983). Een jaar later trouwden ze en ze kregen een dochter en een zoon. In 1953 emigreerde het gezin met de zus van Van Dam naar de Verenigde Staten in de buurt van New York, waar De Jonge de rest van haar leven woonde. Zij overleed op 99-jarige leeftijd in de eerste maanden van de coronapandemie. Zij werd daardoor in stilte begraven, zonder aanwezigheid van familie en vrienden.

In 2015 werd De Jonge in de Verenigde Staten bezocht door een man die haar kwam bedanken. Hij was een van de Joodse kinderen die door haar waren gered.
Op 15 november 2019 werden in Weener aan de Süderstraße vijf struikelstenen geplaatst, voor alle leden van het gezin van De Jonge bij hun voormalige woonadres.
Het verhaal van Ruth de Jonge kreeg in 2019 bekendheid tijdens het onderzoek van het project De terugkeer van Joodse kinderen. In dat jaar opende haar nicht - de dochter van Heinrich - een kistje met memorabilia uit de oorlog. Hierdoor kwam de familie erachter welke rol De Jonge speelde in het verzet.
De gemeente Leeuwarden heeft op 30 mei 2023 een fiets- en wandelpad in de Vrijheidswijk in Leeuwarden naar haar vernoemd: het Ruth de Jongepad. De nabestaanden van De Jonge waren bij de onthulling aanwezig.
In maart 2024 publiceerde Hessel de Walle het boek Vrouwen van het Friese verzet, waarin De Jonge een van de 32 vrouwen is wiens rol en levensverhaal in het boek worden beschreven.
In 2025 werd zij door het Nieuw Islaëlietisch Weekblad geëerd als een van de vergeten heldinnen van het Nederlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In 2027 verschijnt er naar verwachting een boek van het Koninklijk Fries Genootschap over tweehonderd vrouwen die in de afgelopen twee eeuwen veel voor Friesland betekend hebben. Een van deze vrouwen zal De Jonge zijn.