| Grasstromakelkje | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Soort | ||||||||||
| Clarireedia calopus (Fr.) Baral & Sochorová (2023) | ||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||
|
Rutstroemia calopus (Fr.) Rehm | ||||||||||
| ||||||||||
Het grasstromakelkje (Clarireedia calopus, voorheen Rutstroemia calopus) is een zakjeszwam uit de orde Helotiales. De soort leeft als saprotroof op afgestorven plantenresten, vooral op stengels en bladeren van grassen (Poaceae).
De soort werd oorspronkelijk in 1818 door Elias Magnus Fries beschreven als Peziza calopus. Heinrich Rehm plaatste haar later in het geslacht Rutstroemia als Rutstroemia calopus. In 2023 brachten Hans-Otto Baral en Zuzana Sochorová de soort op basis van fylogenetische en morfologische gegevens onder in het geslacht Clarireedia.
De apotheciën groeien verspreid of in groepjes op afgestorven grasresten. Ze zijn ongeveer 2–3 mm in diameter en aanvankelijk breed komvormig. De vruchtlichamen staan op een duidelijk steeltje dat ongeveer 2–3 mm lang kan worden. Het hymenium is licht okerkleurig tot bruinachtig. De buitenzijde heeft ongeveer dezelfde kleur of is wat lichter; de rand kan iets donkerder zijn.
Oudere beschrijvingen vermelden eveneens kleine, gesteelde apotheciën met een geelbruine, okerkleurige tot roodbruine schijf.
De asci zijn cilindrisch, achtsporig en meten bij onderzocht materiaal ongeveer 113–125 × 12,7–13,6 µm. De sporen liggen onregelmatig in één of twee rijen. De apicale ring van de ascus is euamyloïd en kleurt blauw in jodium-joodkaliumoplossing (IKI).
De parafysen zijn recht, cilindrisch en gesepteerd. Ze zijn ongeveer 3 µm breed en aan de top soms iets verbreed, tot ongeveer 4 µm. De inhoud kan bruinachtig zijn.
De ascosporen zijn hyaliene, glad en ellipsoïde, met afgeronde tot soms iets toegespitste uiteinden. In een recente beschrijving maten ze 14,2–18,7 × 5,7–7 µm. Ze bevatten talrijke kleine oliedruppeltjes, vooral nabij de uiteinden.
Het grasstromakelkje groeit vooral op afgestorven stengels en bladeren van grassen die op een vochtige bodem liggen. Vruchtlichamen kunnen zich ontwikkelen op plantenresten van het voorgaande groeiseizoen. Uit Groot-Brittannië is de soort onder meer vermeld van dode, rottende bladeren en stengels van liesgras (Glyceria maxima).
Moleculair onderzocht materiaal dat onder deze soort wordt geplaatst is onder meer afkomstig van niet nader bepaalde grassen in Nederland en van Festuca indigesta in Spanje.
Het grasstromakelkje is uit verschillende delen van Europa bekend. In fylogenetisch onderzoek werd materiaal gebruikt uit onder andere Nederland, Groot-Brittannië en Spanje. Daarnaast zijn gedocumenteerde vondsten bekend uit onder meer Servië, waar de soort op afgestorven grasresten werd gevonden, en Bulgarije, waar vruchtlichamen op dode en verterende kruidachtige stengels werden verzameld.
In Nederland wordt de soort in de Verspreidingsatlas vermeld onder de naam Rutstroemia calopus. Hij geldt daar als 'zeer zeldzaam'.
Fries beschreef de soort in 1818 als Peziza calopus. In de loop van de tijd is de soort in verschillende geslachten geplaatst, waaronder Helotium, Phialea, Calycella, Ciboria, Rutstroemia en Poculum.
De combinatie Rutstroemia calopus werd door Rehm gepubliceerd. Baral en Sochorová maakten in 2023 de nieuwe combinatie Clarireedia calopus. In dezelfde studie werden Clarireedia bennettii en Rutstroemia cuniculi als synoniemen van deze soort beschouwd. Species Fungorum accepteert eveneens Clarireedia calopus als de huidige naam.