| Ruwe bies | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Schoenoplectus tabernaemontani (C.C.Gmel.) Palla (1888) | ||||||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani) is een plantensoort uit de cypergrassenfamilie (Cyperaceae).
Ruwe bies is een vaste, kruidachtige plant die een hoogte kan bereiken van 0,5–2,8 m. Ze heeft een zachte, taaie wortelstok, die in het jonge stadium wit is en later naar geel tot geelbruin verkleurt. De rolronde, gevulde stengel is blauwgroen of grijsgroen en aan de voet meestal knotsvormig verdikt. Voor en tijdens de bloei heeft de plant geen of slechts één blad met bladschijf. Bij het verweren van de bladscheden komen er niet of nauwelijks vezels vrij. De bloeitijd van ruwe bies strekt zich uit over juni tot de herfst met eivormige tot langwerpige aren. De roodbruine kafjes hebben talrijke rode wratjes, waardoor ze ruw aanvoelen en waaraan de plant haar naam te danken heeft. De kafjes staan in een spiraal. De bloeiwijze is schijnbaar zijdelings door het stengelachtige schutblad. De vrucht is een 2–2,5 mm lang, lensvormig nootje en heeft borstelharen.
Ruwe bies komt vooral voor in brak water aan oevers, in duinplassen en in rietlanden. De zaadverspreiding vindt in het bijzonder plaats via ornithochorie; de borstelharen aan de vrucht kleven gemakkelijk vast aan vogels.
In de syntaxonomie staat ruwe bies te boek als kentaxon voor de associatie van ruwe bies. Zij kan echter ook faciës vormen in de associatie van heen en grote waterweegbree.
Het natuurlijke verspreidingsgebied van ruwe bies strekt zich uit over Eurazië. In Nederland komt de soort duidelijk meer voor in de westelijke helft van het land.
Ruwe bies was tot in de negentiende eeuw een belangrijk exportgewas, dat naast mattenbies werd geteeld ten behoeve van stoelzittingen.