Rijksheerlijkheid Saffenberg

Ruïne Saffenburg in 2020

Saffenberg (Duits: Saffenburg) was een heerlijkheid binnen het Heilige Roomse Rijk, die niet bij een kreits was ingedeeld. De ruïne van de burcht Saffenburg ligt bij Mayschoss in de Landkreis Ahrweiler in Rijnland-Palts.

Heren van Saffenberg en relatie tot Rolduc

De Saffenburg in 1633

De heren van Saffenberg stammen samen met de heren van Berg af van de laatste Karolingische graven uit de Keldachgouw [de].

De eerste vermelding betreft Adelbertus de Saffenberch, voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1090, wat echter mogelijk een afschrift is van een eerdere oorkonde uit 1074.

De burcht Saffenburg lag in het Ahrdal, het machtsgebied van de Van Saffenbergs. Blijkbaar bezat Adalbert tevens goederen in het Land van Rode (omgeving Kerkrade-Herzogenrath), want in 1106 doneerde hij land, waarop Ailbertus van Antoing de abdij Rolduc stichtte. Dit klooster van augustijner koorheren fungeerde enige tijd als familieklooster van de Van Saffenbergs.

In 1137 werd vlak bij de burcht Saffenberg, eveneens in het Ahrdal, het Klooster Marienthal [de] gebouwd, een vrouwenabdij van augustijner koorvrouwen, gesticht vanuit Rolduc.

Adolf I van Saffenberg trouwde in 1122 met Margarete von Rötz, een nicht van de Keulse aartsbisschop Frederik I van Schwarzenburg. Door deze connectie verwierf hij de titel van graaf. Adolf en Margarete hadden drie zonen en minstens één dochter:

De rijksheerlijkheid

De heerlijkheid Saffenberg bestond uit de burcht Saffenburg, het eerder genoemde Klooster Mariental en de vier dorpen Mayschoß, Laach, Rech en Dernau. De heren van Saffenberg oefenden tot 1172 de voogdij over het aartssticht Keulen uit. Na het overlijden van graaf Adolf I van Saffenberg werd de heerlijkheid verdeeld onder zijn zoons Adelbert III, Herman en Adolf II.

Het deel van de dochter van Adelbert III, Alvaridis, kwam bij graaf Willem II van Gullik terecht en later bij Willem van Arenberg en daarna aan Jan van Nieuwenaar. Het deel van Herman ging via zijn dochter Agnes en vervolgens haar dochter Adelheid aan de graven van Sponheim en vanuit daar via een huwelijk aan graaf Diederik IV van Kleef. Het deel van Adolf II zou uiteindelijk in handen komen van de familie von Dyck, welke hun naam deden veranderen in Saffenberg.

In 1424 viel de heerlijkheid toe aan de graven van Virneburg en na hun uitsterven in 1545 aan de graven van Manderscheid-Schleiden. Omdat bij de indeling van Virneburg bij de Nederrijns-Westfaalse Kreits geen vermelding van Saffenberg plaatsvond, werd de heerlijkheid later als kreitsvrij beschouwd.

In 1593 werd de heerlijkheid veroverd door de graven van der Mark-Lummen waardoor het verloren ging voor het huis Schleiden. Na het uitsterven van het huis Mark-Lummen in 1773 komt het aan de hertogen van Arenberg. Vanwege Saffenberg hadden de graven van der Mark en hun opvolgers de hertogen van Arenberg een zetel in de Westfaalse gravenbank van de Rijksdag.

In 1704 werd de burcht Saffenburg gesloopt. Sinds 2004 worden de vervallen muurresten geconserveerd.

In 1794 werd de rijksheerlijkheid Saffenburg evenals de andere landen van huis Arenberg door Franse troepen bezet. Hoewel de hertog van Arenberg in de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 schadeloos werd gesteld voor de verliezen, wist hertogin Louise Margaretha haar bezittingen op de linker Rijnoever als particulier eigendom weer in bezit te nemen.

Het Congres van Wenen voegde in 1815 de voormalige rijksheerlijkheid bij het koninkrijk Pruisen.

Stamreeks

Literatuur