| Ansfried III | ||||
|---|---|---|---|---|
Standbeeld van Ansfried in Thorn | ||||
| Geboren | ±940 te Gembloers (?) | |||
| Gestorven | 3 mei 1010 te Leusden | |||
| Naamdag | 11 mei | |||
| Attributen | Wapens en een strijdhelm aan zijn voeten. In zijn handen een zwaard, wapenschild en/of kerk. | |||
| Religieuze orde | benedictijnen | |||
| Beroep | katholiek priester, katholiek bisschop | |||
| Ambt | bisschop | |||
| Afbeeldingen | ||||
| Lijst van christelijke heiligen | ||||
| ||||
Ansfried III (±940 – 1010) was graaf van de Nedermaasgouw, het graafschap Hoei, het markgraafschap Antwerpen, Toxandrië, de Teisterbant en (vanaf 982) het graafschap Leuven. In 995 werd hij gewijd tot prins-bisschop van het Sticht Utrecht. Hij staat vooral bekend als oprichter van de abdijen van Thorn en Hohorst. Na zijn dood groeide hij uit tot een lokale heilige (of "volksheilige") maar hij is nooit heilig verklaard.
Ansfried III werd geboren rond 940. Zijn vader Wicbert van Gembloers vernoemde hem naar Ansfried II, die vermoedelijk zijn halfbroer was. De naam van zijn moeder is niet overgeleverd.
Toen hij vijf jaar oud was, werd hij ondergebracht bij Ruotbert van Trier, een andere halfbroer. Hier werd hij onderwezen in het wereldlijke en het kerkelijke recht. Tussen 953 en 956 werd hij naar het Hof van Bruno de Grote in Keulen gestuurd voor een militaire opleiding. Rond zijn twintigste werd hij zwaarddrager van Bruno's broer, keizer Otto I de Grote, kort voordat deze begon aan zijn veldtocht naar Rome. Mogelijk bleef Ansfried meerdere jaren in Italië.
Zijn oom Ansfried II stierf kort na 965. Ansfried III keerde terug naar de Nederlanden als erfgenaam van enkele van zijn graafschappen, in het bijzonder de Nedermaasgouw. Twee oorkondes van ±970 noemen hem ook graaf van Toxandrië en de Teisterbant. Wegens een latere schenking wordt vermoed dat Ansfried tevens het Land van Rijen (of "markgraafschap Antwerpen") bezat. Hij trouwde met Hildesondis (of kortweg "Hilsonde"), de erfdochter van een graafschap rond Hoei. Doorheen de geschiedenis werd ze soms verward met Hereswinde, de echtgenote van Ansfried II. Ergens na 972 stichtten Ansfried en Hilsonde de abdij van Thorn. Aanvankelijk was dit een dubbelklooster: de mannelijke vleugel had de aartsengel Michaël als beschermheilige, de vrouwelijke vleugel was toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe.
Over de kinderen van Ansfried en Hilsonde is weinig bekend. Een dochter werd abdis in Thorn, onder haar kloosternaam "Benedicta". Bij haar intreding schonk Hilsonde aan de abdij diverse eigengoederen in de omgeving van Breda, Geertruidenberg en Hoogstraten, voor het levensonderhoud van de kloosterlingen. Eventuele (schoon)zonen sneuvelden misschien in Italië (zie hieronder). Een zoon genaamd Fastradus was op dat moment nog minderjarig.
In 980 werd Ansfried opnieuw verzocht om, ditmaal in het gevolg van keizer Otto II, naar Italië te reizen. Twee oorkondes, uitgevaardigd in 981 nabij L'Aquila, noemen hem een zendgraaf van de keizer. Later dat jaar behoort hij tot de edelen die troepen moeten verzamelen voor de veldtocht naar Calabrië. Deze veldtocht kostte het leven aan talrijke edelen waaronder graaf Erenfried, een zoon van Ansfrieds oom Goderan. Mogelijk erfde Ansfried hierdoor een deel van de Haspengouw. Alpertus van Metz noemt Ansfried immers graaf in "een randgebied van de Brabanders". In de 13e eeuw herinnert Gillis van Orval hem als Aufredo comite Lovaniensi ("Ansfried, de graaf van Leuven").
In 984 wordt Ansfried nogmaals bestempeld als zendgraaf in een oorkonde, opgesteld te Pavia. Tegen 985 was hij weer in de Lage Landen en schonk hij het graafschap rond Hoei aan Notger van Luik. Het Hof van de jonge keizer Otto III compenseerde hem hiervoor met de volledige eigendom over enkele landgoederen die hij tot dan in leen hield in de Nedermaasgouw en West-Friesland.
In 994 besloot Ansfried zich terug te trekken uit het wereldlijke leven. Het gebied rond Thorn (de latere Drie Eijghen) schonk hij aan het kapittel van Sint-Lambertus. Naar het voorbeeld van zijn vader Wicbert van Gembloers, vijftig jaar eerder, werd hij vervolgens abt of monnik in de abdij van Thorn. Zijn zoon Fastradus volgde hem op als graaf.
Toen Boudewijn I van Utrecht overleed, verzocht keizer Otto III Ansfried om prins-bisschop te worden van het Sticht Utrecht. Ansfried vond zichzelf ongeschikt, omdat hij vaak had moeten vechten. Op aandringen van Notger van Luik, die ook vaak aan veldtochten deelnam, ging hij toch in op het voorstel. Hij werd gewijd in de Dom van Aken. Bij zijn aantreden schonk hij enkele eigengoederen in het Waverwoud aan de Dom van Utrecht. Hij schonk aan de Dom ook een handgeschreven Evangeliarium: de Ansfriduscodex, tegenwoordig te zien in het Museum Catharijneconvent.
Kort na 995 overleden Hilsonde en Fastradus. Hilsonde werd begraven in de abdij van Thorn, het graf van Fastradus raakte in de vergetelheid. Een verwant genaamd Unruoch (een zoon van Berengarius van Namen?) erfde Fastradus' eigengoederen in de Maasgouw en de Haspengouw, maar ontving van de keizer enkel de grafelijke titel in de Teisterbant en de Hettergouw. Zijn zoon Unruoch wordt vermeld in 1057, 1064 en 1073. De Maasgouw, het graafschap Leuven, het markgraafschap Antwerpen en Toxandrië werden waarschijnlijk toegewezen aan Godfried van Verdun.
Hoewel Ansfried een ambt met veel rijkdom en invloed bekleedde, interesseerden macht en status hem steeds minder. Gezegd werd dat hij dagelijks 72 armen aan zijn tafel liet mee-eten. Ook deed het verhaal de ronde dat hij een melaatse waste, in zijn eigen bed liet slapen en de volgende dag kleren gaf. Vanaf zeker moment tooide hij zich niet langer met het fijn geweven en rijkelijk versierde bisschopskleed, maar droeg hij een eenvoudig en grof boetekleed. Doordat hij vaak vastte, ging zijn gezondheid achteruit. Rond 1005 werd hij blind. Hij verwelkomde deze aandoening als een geschenk, omdat hij hierdoor tijdens zijn leven boete kon doen voor zijn zonden.
In de zomers van 1006 en 1007 werd het Rivierengebied geplunderd door de Vikingen. Ze bedreigden ook Utrecht, maar zagen uiteindelijk af van een aanval en trokken weg. Volgens een eigentijdse bron hadden ze veel respect voor Ansfried, die bekendstond als een wijze, rechtvaardige en godsvruchtige bisschop.
Zoals voorgaande prins-bisschoppen zou Ansfried begraven worden in de Dom van Utrecht, maar later wou hij een eigen abdij stichten nabij Amersfoort. Monniken van het munster van Mönchengladbach gingen in op zijn verzoek. De gebouwen verrezen op de heuvel "Hohorst" (sindsdien ook "de Heiligenberg" genoemd), bijna volledig afgescheiden door water. De kapel werd gewijd aan de apostel Paulus, de beschermheilige die werd aanroepen bij oogkwalen. Ansfried vond dat hij Paulus diende te bedanken voor zijn blindheid. Hij trok zich geregeld terug in de abdij, om te leven als een monnik.

Toen Ansfried zijn dood voelde naderen, liet hij zich naar de abdij van Hohorst brengen. Vanaf Kerstmis 1009 was hij bedlegerig. Op 3 mei 1010 stierf hij. Vlak voor zijn dood vertelde hij aan de monniken dat hij, ondanks zijn blindheid, een kruis zag oplichten. Hij sloeg een kruisteken en stierf. De monniken stuurden een boodschapper naar Utrecht en naar Benedicta. Ansfried zou begraven worden naast de abdij, in een houten grafkapel hogerop de heuvel. Graven van bisschoppen en heiligen waren in die tijd trekpleisters voor bedevaarten, en hierdoor een bron van inkomsten. De kanunniken van de Dom van Utrecht argumenteerden dat Ansfried een waardige rustplaats moest krijgen naast de voorgaande prins-bisschoppen.
Een groep Utrechtenaars trok naar de abdij om het lichaam op te eisen. Benedicta hield vol dat haar vader bij de abdij begraven wilde worden. Tijdens de woordenwisseling werd er brand gesticht in de grafkapel. Terwijl de meeste aanwezigen water gingen halen, namen enkele Utrechtenaars het lichaam uit de doodskist en haastten zich naar een bootje. Alle anderen staken ook de rivier over, per boot of al zwemmend. Toen een vechtpartij dreigde uit te breken, gaf Benedicta toe: de Utrechtenaars mochten het lichaam meenemen. Het werd teruggelegd in de loden doodskist en per boot naar Utrecht gebracht. De exacte ligging van het graf is niet meer bekend. In de beginperiode van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werden grafstenen van katholieken onleesbaar gemaakt of afgevoerd als bouwmateriaal. Metalen doodskisten werden opgegraven en omgesmolten.
Ansfried is geen traditionele heilige met heiligverklaring door de paus. Toch werd hij gekozen als patroonheilige van de Sint-Ansfriduskerk in Amersfoort, gebouwd in 1914–1916, en als patroonheilige van de Sint-Ansfriedkapel in Thorn, gebouwd in 1984–1985. Als naamdag werd 11 mei gekozen, acht dagen na zijn sterfdag.
Referenties
| Voorganger: Boudewijn I |
995-1010 |
Opvolger: Adelbold II |