| Slijkzegge | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Carex limosa L. (1753) | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Slijkzegge (Carex limosa) is een plantensoort uit de cypergrassenfamilie (Cyperaceae).
Slijkzegge is een vaste, kruidachtige plant die een hoogte kan bereiken van 20–50 cm. Ze vormt zowel uitlopers als kruipende wortelstokken die aan de top omhoog gaan. De minder dan 1 mm dikke stengels zijn scherp driekantig en dragen alleen bij de grond bladeren. De 1–1,5 mm brede, borstelachtige bladeren zijn gootvormig tot samengevouwen. De onderste scheden van de bladeren zijn roodbruin. Aan de voet van de aar zit een cladoprofyllum. De bloeitijd van slijkzegge strekt zich uit over mei en juni. De bloeiwijze bestaat uit aren. De bovenste aar is mannelijk en daaronder zitten één of twee, eivormige, vrouwelijke aren, die 1–1,5 cm lang en 0,5 cm breed zijn. De stelen van de vrouwelijke aren zijn dun en vaak gekronkeld. Het schutblad van de onderste aar heeft geen of een 1–2 mm lange schede. De onderste aar hangt tijdens de bloei. De langwerpige, afgeplatte, 4 mm lange urntjes hebben aan weerszijden vier of vijf nerven. De vrucht is een grijsgroen nootje met een korte snavel. Het aantal chromosomen 2n = 56, 62 of 64.
Slijkzegge komt voor op natte, oligotrofe veengronden. Het gaat om zeer stabiele, onverstoorde, ombrotrofe standplaatsen in de volle zon.
Het natuurlijke verspreidingsgebied van slijkzegge strekt zich uit over het noordelijk halfrond. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst als niet meer aanwezig. Ze is voor het laatst in 1993 in Nederland waargenomen. Op de Vlaamse Rode Lijst staat zij als "met uitsterven bedreigd", met nog vindplaatsen in het natuurgebied Mechelse Heide.