
Smartlap is een benaming voor het levenslied en dan vooral voor die vormen van het levenslied waarin een larmoyante geschiedenis wordt verteld.
Hoewel de toenmalige leiding van het Utrechtse Museum van Speeldoos tot Pierement in een interview in NRC Handelsblad van 8 maart 1971 smartlap verklaarde als synoniem van rollied of roldoek en dit een paar jaar later werd herhaald door variétékenner Jacques Klöters, is er geen relatie tussen die twee begrippen. Roldoeken werden vanaf de 17e eeuw door straatzangers gebruikt om hun gezangen te illustreren. Het woord smartlap is voor dergelijke doeken nooit gebruikt.
Mogelijk is smartlap gevormd naar analogie van het Duitse Schmachtfetzen of Schmachtlappen. Welk van de twee daarbij als naaste voorbeeld diende, staat niet vast. Beide woorden gaan terug op een volkse benaming voor de vastendoek (Hongerdoek) waarmee in de rooms-katholieke liturgie sinds de middeleeuwen tijdens de vastentijd het altaar werd afgedekt, zodat de gelovigen die pas met Pasen weer te zien kregen; tot die tijd moesten zij er in geestelijke zin naar 'smachten'. Sinds ongeveer 1910 kregen beide woorden daarnaast de betekenis van een overdreven sentimenteel liedje.
De vroegst bekende vermelding van het woord smartlap is te vinden in een editie van De Graafschapbode van 26 oktober 1936. Uit het artikel blijkt dat het woord toen nog geen betekenis had. In 1957 had het al wel de betekenis van een sentimenteel lied, en was al voldoende gevestigd om in een encyclopedie voor lichte muziek te worden opgenomen. Het woord kwam in zwang aan het begin van de jaren zestig, toen velen naar aanleiding van de successen van de Zangeres Zonder Naam een weerzin opbouwden tegen het genre. Deze niet-liefhebbers spraken badinerend van een smartlap.
In 1961 definieerde de Winkler Prins Encyclopedie smartlap als "sentimenteel lied", in 1962 als "hyper-sentimenteel ‘levenslied’ in populaire balladevorm", in 1969 als "levenslied van vals-sentimentele strekking dat voorgedragen of gezongen kan worden" en in 1973 als "een ironische benaming die in de jaren zestig in zwang kwam voor wat men vroeger aanduidde met levenslied."
In de jaren negentig groeide het woord smartlap met de opkomst van smartlappenkoren en smartlappenfestivals uit tot een geuzennaam. Verwijzend naar de roldoeken werd deze ontwikkeling niet zelden gepresenteerd als een herleving van een zogenaamd 'eeuwenoude traditie'. Het repertoire waarop werd teruggegrepen was echter van relatief recente datum: de artiesten J.H. Speenhoff, Kees Pruis en Willy Derby maakten deze sentimentele liedjes over armoede, zieke moeders en stervende kinderen aan het begin van de 20e eeuw populair.