| Snaveldolfijn IUCN-status: Niet bedreigd (2018) | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||
| Steno bredanensis (G. Cuvier in Lesson, 1828) | ||||||||||||||||
| Leefgebied | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
De snaveldolfijn (Steno bredanensis) is een kleine tandwalvis die tot de dolfijnenfamilie behoort. Het is een slanke, grijze soort van 210-285 cm lang, een gewicht van gemiddeld zo'n 130 kg, met een iets donkerdere rug, een geleidelijk aflopend voorhoofd en een lange snuit. Het is de enige soort uit het geslacht Steno. Doordat deze soort voornamelijk in de diepzee jaagt, is er over het gedrag en verspreiding weinig bekend en voornamelijk gebaseerd op strandingen en enkele waarnemingen op volle zee.
De snaveldolfijn dankt zijn naam aan de opvallend lange snuit. De snaveldolfijn lijkt op een tuimelaar, maar heeft een veel langere snuit en een slanker voorhoofd. De kleur is donkergrijs, met een paarsige glans op de flanken en een witte buik. Aan de zij- en onderkant van de snuit is de snaveldolfijn wit tot wittig roze gekleurd. De snaveldolfijn heeft een slank lichaam en grote borstvinnen. De rugvin is hoog en sikkelvormig.
De tanden van de snaveldolfijn zijn ruw, door verticale richels die over zijn tanden lopen. De functie hiervan is vooralsnog onduidelijk. Er lopen geregeld littekens over zijn flanken, waarschijnlijk het werk van koekjessnijderhaaien. Het dier wordt ongeveer 150 kilogram zwaar (mannetjes gemiddeld 140, vrouwtjes 120 kg). Het mannetje wordt 220 tot 260 centimeter, het vrouwtje 230 tot 240 centimeter lang. Bij de geboorte zijn de jongen 90 centimeter lang.
De snaveldolfijn werd in 1817 voor het eerst wetenschappelijk beschreven door de Franse zoöloog Anselme Gaëtan Desmarest die het dier Delphinus rostratus noemde, maar die naam was niet meer beschikbaar omdat die was gebruikt door de Britse natuurhistoricus George Shaw in 1801 voor de Orinococolfijn (Inia geoffrensis). Toen de Nederlandse bioloog en geoloog Jacob van Breda in 1925 schetsen van de snaveldolfijn liet zien aan Georges Cuvier, realiseerde deze laatste zich dat een nieuwe soort moest worden toegevoegd aan diens boek Recherches sur les ossemens fossiles, où l’on rétablit les caractères de plusieurs animaux dont les révolutions du globe ont détruit les espèces [Onderzoek naar fossiele botten, waarbij de kenmerken van verschillende dieren waarvan de soorten door de aardomwentelingen zijn uitgestorven, worden gereconstrueerd]. De editie van 1825 was echter al gezet en er kon slechts een voetnoot worden opgenomen zonder naam of beschrijving. In 1828 publiceerde Lesson daarom de naam Delphinus bredanensis in zijn publicatie Histoire naturelle générale et particulière des mammifères et des oiseaux découverts depuis 1788 jusqu’a nos jours - Cétacés [Algemene en specifieke natuurgeschiedenis van zoogdieren en vogels die zijn ontdekt van 1788 tot heden - Walvisachtigen] uit 1828. Van Breda gebruikte zelf deze naam bij de uitgebreide beschrijving die hij in 1829 publiceerde. In 1841 gaf Hermann Schlegel het dier de naam Delphinus planiceps. Lesson gaf in 1836 de naam Delphinorhynchus santonicus aan een exemplaar dat in de monding van de Charante. In 1843 publiceert George Robert Gray de naam Delphius compressus voor de snaveldolfijn zonder deze te beschrijven, een zogenaamde nomen nudum.
De snaveldolfijn bewoont alle warmere wateren in de gematigde en tropische zeeën. In Europa wordt hij waargenomen langs de Iberische kust en in het Kanaal, een enkele keer ook in de Middellandse Zee. Hij jaagt in de diepzee, voorbij het continentaal plat, op vissen en inktvissen als octopus. De snaveldolfijn kan een maximale snelheid van ten minste 30 kilometer per uur halen.
Hij leeft in groepen van zo'n tien tot twintig dieren. Een enkele keer wordt een groep van meer dan honderd dieren waargenomen. Soms wordt de snaveldolfijn waargenomen in gemengde groepen met tuimelaars, langsnuitdolfijnen en gevlekte dolfijnen, en met tonijn.
Een enkele keer raakt de snaveldolfijn verstrikt in een tonijnennet, voornamelijk bij Japan, Sri Lanka en in het Caribisch Gebied. Door zijn verborgen leefwijze is de snaveldolfijn nooit een doelwit geweest van de walvisvaart.