
Een steenfabriek, in en rond Wallonië bekend als briqueterie, is een fabriek waar grofkeramiek wordt geproduceerd zoals duurzame bakstenen, gevelbakstenen, straatbakstenen (klinkers), dakpannen, vloer- en wandtegels en voorheen ook stenen buizen. Verouderde namen voor deze productiebedrijven zijn steenbakkerij, steenplaats, steenoven of tichelwerk.
Belangrijk voor steenfabrieken is de beschikbaarheid van klei als grondstof en brandstof. De meeste steenfabrieken zijn dan ook van oudsher gevestigd in riviergebieden, kleigebieden of aan de rand daarvan. Langs de grote rivieren is rivierklei aanwezig. De gebakken stenen werden vroeger per schip naar de afnemers vervoerd, daarom zijn juist daar veel steenfabrieken te vinden.
De meeste producenten van grof keramiek zijn verenigd in Branchevereniging Koninklijke Nederlandse Bouwkeramiek (KNB). Ook de grootste baksteenfabrikant ter wereld, het Oostenrijkse Wienerberger AG dat ook in Nederland (Terca) en België (Desimpel) fabrieken bezit.

Van de fabrieken staan de meeste aan of nabij de rivieren Maas (ruim 25%) en Waal (ruim 20%).
De vroegste steenbakkerijen zijn aangetroffen in het Oude Egypte, Mesopotamië, en in de Indusvallei, waar reeds rond 3000 v. Chr. stenen gebruiks- en kunstvoorwerpen werden gebakken uit klei. Al snel moet men tot de conclusie zijn gekomen dat steen ook een goede bouwstof vormde voor gebouwen. In de Romeinse tijd werd overgeschakeld op steeds verfijndere methoden en groeide het bakken van stenen in gespecialiseerde ovens uit tot een industrie. Na het uiteenvallen van dit wereldrijk, verloor men in onze streken ook de kennis van het stenen bakken, die pas weer werd opgepakt in de 12e eeuw. Tijdens de middeleeuwen maakten de steenbakkerijen een groei door nadat steeds meer steden een verbod uitvaardigden op brandgevaarlijke houten huizen, die niet zelden veroorzakers waren van stadsbranden. Hierbij vormde baksteen in Nederland een logisch alternatief omdat klei voldoende voorhanden was langs de grote rivieren en andere waterwegen en hout en natuursteen nauwelijks aanwezig waren. Hieruit ontwikkelde zich de bekende Nederlandse baksteenarchitectuur. Met de groei van de bevolking en de industriële revolutie nam de vraag naar stenen halverwege de 19e eeuw een grote vlucht; tussen 1850 en 1880 groeide het aantal steenfabrieken van 469 naar 881. Vaak waren dit slechts kleine bedrijven. Na 1880 volgde in Nederland echter afname van de vraag als gevolg van economische neergang en nam bovendien de buitenlandse concurrentie toe, waarop de fabrieken zich begonnen te organiseren.
De bedrijvigheid was seizoensgebonden (wanneer het weer het toeliet) en eenvoudig van opzet met veel handwerk. De arbeidsomstandigheden waren vaak erbarmelijk. Het werk was zwaar en arbeiders maakten vaak lange dagen. Berucht was de steenbakkerij van Franeker, waar gewerkt werd van 2 uur 's morgens tot 10 uur 's avonds. Ook vrouwen- en kinderarbeid was heel gewoon. Daarbij deden veel eigenaren -vaak waren het familiebedrijven van de landadel- het er een beetje bij, zodat werknemers ook zo weer op straat konden komen wanneer de vraag afnam. Veel werknemers waren dan ook seizoensarbeiders, waarvan de Duitse Lipskers (uit Lippe), die elk jaar naar Friesland kwamen, enige bekendheid genoten.

De eerste helft van de 20e eeuw werd gekenmerkt door oprukkende mechanisatie en na de Tweede Wereldoorlog werden de arbeidsomstandigheden aangepakt. De tweede helft van deze eeuw werd gekenmerkt door toenemende automatisering, waarbij begrippen als schaalvergroting en efficiency steeds belangrijker werden. Tegelijkertijd nam het aantal vestigingen en werknemers af. In 1950 telde Nederland bijvoorbeeld 227 steenfabrieken waar 13.000 mensen werkten, hetgeen in 1995 was teruggelopen tot 52 fabrieken met nog 1500 werknemers, waarbij de productie gelijk was gebleven. Vanaf de jaren 1980 werden steeds meer steenfabrieken overgenomen door het Oostenrijkse Wienerberger en het Ierse CRH plc. Er waren een aantal grote bedrijven die in particulier eigendom waren in de jaren tot 1982, waaronder Gebr. Laumans, T&A, Verenigde Steenfabrieken Groningen en NeHoBo. de aandelen van NeHobo waren in het bezit van de onderstaande bedrijven:
Vanwege de slechte omstandigheden in de markt is uiteindelijk de NeHoBo gesloten.
De Groninger baksteen heeft een hoog gehalte aan ijzer en heeft daardoor een rode kleur. De klei waaruit deze stenen worden gebakken is moeilijk bewerkbaar, droogt langzaam en zorgt voor een goede kwaliteit baksteen. In de provincie Groningen worden sinds de 12e eeuw stenen gebakken. In het begin werden door monniken kloostermoppen gebakken voor kerken (zoals die op de wierden van Marsum, Oosterwijtwerd en Eenum), kloosters en later ook steenhuizen. Hieruit ontstonden in de 16e eeuw tichelwerken, waarbij soms tichelborgen ontstonden van de eigenaren. In de tweede helft van 18e eeuw steeg de vraag naar baksteen als gevolg van de ontwikkelingen in de landbouw en de daarmee gepaard gaande groei van de bevolking. Hierdoor groeide ook het aantal lokale steenfabrieken in Groningen. In 1810 stonden er ongeveer 27 steenfabrieken in de provincie. In 1819 werden steenbakkerijen in Winschoten, waar vijf steen- en dakpannenfabrieken waren, gebouwd op de grens van de kleigebied met het veen. In de 19e eeuw groeide het aantal steenfabrieken nog sterker als gevolg van steeds meer huizenbouw, de ontwikkeling van de Groninger Veenkoloniën en de aanleg van een groot aantal waterstaatkundige werken rond de stad Groningen, zoals kademuren, sluiswanden en laad- en loswallen. In de jaren 1860 waren er gemiddeld ongeveer 55 fabrieken actief. Naast bakstenen en dakpannen werden er toen ook veel draineerbuizen gebakken. Rond 1900 was het aantal steenfabrieken gegroeid tot ongeveer 80. Begin 20e eeuw werden nieuwe technieken ingevoerd zoals stoomkracht en ringovens en gingen steenfabrikanten steeds meer samenwerken, vooral op het gebied van de verkoop. Na de Eerste Wereldoorlog steeg de concurrentie van goedkope steen uit België en Duitsland en verenigden de Noord-Groningse fabrieken zich in de NV Groningsche Steenhandel in de stad Groningen terwijl de Oost-Groningse fabrikanten in Winschoten de NV Oost-Groninger Steenhandel oprichtten. Factoren als beperkingen in de afgraving van klei, verandering van de vraag en traagheid bij de toepassing van technische vernieuwingen en schaalvergroting leidden ertoe dat hun aantal na de Tweede Wereldoorlog snel afnam. In 1947 verenigden beide verkoopkantoren zich in de Steenhandel Groningen NV. In 1950 waren er nog 35 steenfabrieken. Van de jaren 1960 tot 1980 werden veel van de resterende fabrieken gesaneerd. In 1979 werd door de V.S.G. de modernste steenfabriek van Nederland nog in gebruik genomen voor de productie bij NeHoBo. De V.S.G. had nog twee fabrieken over te Winneweer en Boerdam bij Middelstum. In de hoogtijdagen van de V.S.G. stonden er zeven fabrieken te produceren. In 1982 moest de V.S.G. de poorten sluiten vanwege de slechte marktomstandigheden in die jaren en bleven er nog 4 fabrieken over. In 2002 sloot de verouderde steenfabriek Fivelmonde uit Delfzijl en is Strating in Oude Pekela de laatste steenfabriek van Groningen. Sinds de sluiting van steenfabriek Smeijers-Voortman uit het Overijsselse Rijssen in 2005 is Strating tevens de enige strengperssteenfabriek ten noorden van de grote rivieren.


Vaak bleven de gesloten steenfabrieken lange tijd leegstaan en werden ze uiteindelijk (deels) gesloopt, waarbij vaak als eerste de schoorsteen tegen de vlakte ging. Tegenwoordig worden steeds meer restanten van voormalige steenfabrieken vanwege hun historische betekenis aangewezen als monument. Voorbeelden hiervan zijn:
Verenigde Steenfabrieken Groningen (V.S.G ):
Een volledig overzicht van alle historische steen- en pannenfabrieken is te vinden in de encyclopedie van de Stichting Historie Grofkeramiek.
Literatuur