| Elzenspeldje | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Stenocybe pullatula | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Stenocybe pullatula (Ach.) Stein (1879) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Calicium pullatulum | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Het elzenspeldje (Stenocybe pullatula) is een schimmel uit de familie Mycocaliciaceae. Het is een niet-gelicheniseerde zakjeszwam die kleine, zwarte, speldvormige vruchtlichamen vormt op de schors van elzen (Alnus). De soort wordt vooral aangetroffen op dunne takken van zwarte els (Alnus glutinosa) in vochtige, beschutte omgevingen.
Hoewel het elzenspeldje vaak door korstmosonderzoekers wordt bestudeerd, vormt het geen symbiose met een alg zoals echte korstmossen. De precieze voedingswijze van de soort is niet bekend.
De vruchtlichamen bestaan uit een dunne, donkerbruine tot zwarte steel met daarop een klein kopje. Ze zijn doorgaans 0,3 tot 0,8 mm hoog. De steel is ongeveer 0,06 tot 0,08 mm dik en kan soms vertakt zijn, waarbij meerdere kopjes worden gevormd.
De kopjes zijn ongeveer 0,08 tot 0,15 mm breed en hebben een schijfvormig, bekervormig of enigszins langwerpig uiterlijk. Ze zijn donkerbruin tot zwart en doorgaans mat. De vruchtlichamen zijn door hun geringe afmetingen gemakkelijk over het hoofd te zien.
De soort vormt geen zichtbaar thallus en bezit geen mazaedium, een poederige massa van rijpe sporen die bij sommige andere speldvormige schimmels voorkomt.
De asci zijn smal cilindrisch, achtsporig en meten ongeveer 84–90 × 4,5–6 µm. De ascosporen zijn smal ellipsoïde en meten (10–)13–18(–20) × 4–5(–6) µm.
De sporen zijn aanvankelijk eencellig en ontwikkelen bij het rijpen één tot drie dwarssepta. Volledig rijpe sporen zijn licht grijsbruin tot bruin en hebben een zeer fijn wrattig oppervlak. De dwarswanden zijn aanvankelijk moeilijk zichtbaar en worden pas tijdens de verdere rijping duidelijker.
Het elzenspeldje groeit op de schors van elzen, vooral op dunne, min of meer horizontale takken. De soort wordt met name aangetroffen op levende of afstervende takken van zwarte els, maar is ook van dood elzenhout bekend.
Kenmerkende groeiplaatsen zijn vochtige bossen, beekoevers en elzen bij meren en moerassen. Vooral in Groot-Brittannië wordt de soort in verband gebracht met schone lucht en vochtige omstandigheden. De vruchtlichamen kunnen worden gevonden door langs de takken te kijken, waardoor de kleine, zwarte kopjes als silhouetten zichtbaar worden.
De schimmel wordt soms in gezelschap van algen op boomschors gevonden. Of hij zich saprotroof of parasitair voedt, is niet met zekerheid vastgesteld.
Het elzenspeldje is bekend uit verschillende delen van Europa en Noord-Amerika. In Groot-Brittannië komt de soort vooral in het westen en noorden voor, waar hij plaatselijk vrij frequent wordt aangetroffen. Ook uit het Alpengebied en de noordelijke Apennijnen zijn vondsten bekend. In Canada is de soort onder meer vastgesteld op rode els (Alnus rubra) in Brits-Columbia.
In Nederland is het elzenspeldje een zeer zeldzame soort. Hij staat als 'gevoelig' op de Nederlandse Rode Lijst Korstmossen van 2024.
De soort werd in 1816 door Erik Acharius beschreven onder de naam Calicium pullatulum. In 1879 plaatste Berthold Stein de soort in het geslacht Stenocybe, waardoor de huidige combinatie Stenocybe pullatula ontstond.
Tot de taxonomische synoniemen behoren Calicium byssaceum en Stenocybe byssacea.
De Nederlandse naam was vroeger 'kleinst smalsteeltje'. Bij een herziening van de Nederlandse namen van korstmossen en verwante schimmels werd deze naam vervangen door 'elzenspeldje'.