Een steunpronomen is een voornaamwoord ("pronomen") dat in een zin dezelfde functie heeft als een ander zinsdeel.
Het verschijnsel is al uit het Middelnederlands bekend. In Karel ende Elegast komt voor:
In de renaissance werd een gestandaardiseerde schrijftaal ontwikkeld, en sindsdien wordt het gebruik van het steunpronomen in geschreven tekst afgekeurd. Schrijftaal en spreektaal gingen uiteenlopen. Ook in dit opzicht: in de spreektaal is het steunpronomen springlevend gebleven. Het kan het onderwerp van de zin ondersteunen:
maar ook het lijdend voorwerp, als dat vooraan in de zin staat:
of een meewerkend voorwerp, als dat vooraan in de zin staat:
Zoals uit de voorbeelden blijkt, kunnen zowel de-woorden ("Jan", "fiets") als het-woorden ("ding", "idee") een steunpronomen krijgen. Dat geldt ook voor woorden in het meervoud ("medewerkers").
Het steunpronomen wordt in de geschreven standaardtaal wel aanvaard als het een vrij grote woordgroep herhaalt:
Hier wordt de woordgroep meestal van het steunpronomen gescheiden door een pauze, in de schrijftaal door een komma.
In de volgende zinnen is geen sprake van een steunpronomen:
Het voornaamwoord grenst immers niet aan de woordgroep waarnaar het verwijst. In feite gaat het hier om elliptische zinnen, waarbij de letterlijk herhaalde woorden om voor de hand liggende redenen zijn weggelaten:
Ook in gesproken genitiefvormen (soms in schrijftaal aangetroffen) als de volgende is geen sprake van een steunpronomen:
Hier wordt immers geen woord louter herhaald, er wordt iets aan toegevoegd: de bezittelijke vorm.
Het begrip steunadverbium komt in de taalkundige literatuur niet voor, maar wel zijn er bijwoorden ("adverbia") die zich net zo gedragen als steunpronomina:
Ook hier weer is in de schrijftaal de constructie aanvaardbaar, als de ondersteunde woordgroep voldoende lang is:
Ook hier wordt de woordgroep meestal van het steunadverbium gescheiden door een pauze in de spreektaal; in de schrijftaal door een komma.