Strategie van de spanning (Italiaans: strategia della tensione) is een in de geschiedschrijving gebruikte benaming voor een reeks terroristische aanslagen, subversieve activiteiten en couppogingen die vooral met het Italiaanse neofascisme in verband worden gebracht en die plaatsvonden vanaf het einde van de jaren 1960. In ruimere interpretaties loopt de periode door tot de bomaanslag in Bologna van 2 augustus 1980. Het begrip verwijst naar het gebruik van politiek geweld en vooral willekeurige bomaanslagen om angst, maatschappelijke onzekerheid en wantrouwen tegenover de democratische instellingen te vergroten en zo een klimaat te scheppen waarin een autoritaire politieke koers aanvaardbaarder kon worden.
Gerechtelijke onderzoeken, parlementaire onderzoeken en historisch onderzoek hebben de betrokkenheid vastgesteld van neofascistische militanten en organisaties bij verschillende aanslagen en hebben in afzonderlijke zaken ook doofpotoperaties, misleiding van onderzoeken en contacten met personen binnen Italiaanse veiligheids- en inlichtingendiensten aan het licht gebracht. De geschiedschrijving geeft echter geen grond voor de eenvoudige voorstelling dat alle aanslagen door één centraal staatsorgaan werden aangestuurd. Evenmin is rechtstreekse operationele aansturing van de aanslagen door Amerikaanse diensten, het Stay-Behind-netwerk dat in Italië bekend werd als Gladio, of de vrijmetselaarsloge P2 als algemene verklaring bewezen.
De strategie van de spanning maakt deel uit van de bredere historische context van de Italiaanse Loden jaren (anni di piombo), maar beide begrippen zijn geen synoniemen. De Loden jaren omvatten eveneens het terrorisme van extreemlinkse organisaties zoals de Rode Brigades, terwijl met de strategie van de spanning voornamelijk neofascistisch stragismo — terrorisme door middel van aanslagen waarbij willekeurige burgerslachtoffers vielen — en pogingen tot politieke destabilisering worden aangeduid.
Het Italiaanse encyclopedische instituut Treccani omschrijft de strategie van de spanning als een subversieve strategie die hoofdzakelijk berustte op een vooraf beraamde reeks terroristische daden waarmee een toestand van spanning en algemene angst moest worden geschapen die autoritaire politieke veranderingen kon rechtvaardigen of aantrekkelijk maken. In de historiografie is het begrip echter niet altijd op precies dezelfde gebeurtenissen of periode toegepast.
De Piazza Fontana-aanslag van 12 december 1969 wordt doorgaans als het belangrijkste beginpunt beschouwd. Over het eindpunt bestaat minder overeenstemming. Historicus Francesco M. Biscione wijst erop dat verschillende auteurs uiteenlopende periodiseringen hanteren. Mirco Dondi en Aldo Giannuli leggen volgens zijn historiografische overzicht de nadruk op een ontwikkeling vanaf het midden van de jaren zestig en een gewelddadige kernperiode van 1969 tot 1974. Andere auteurs hebben het begrip ruimer gebruikt. Avilés behandelt in zijn monografie over de strategie van de spanning de periode 1969–1980 en rekent ook de latere ontwikkeling van neofascistisch terrorisme en de aanslag in Bologna tot het bredere onderzoeksveld.
Deze variatie betekent dat niet iedere daad van politiek geweld tijdens de Loden jaren als onderdeel van de strategie van de spanning wordt beschouwd. Vooral de terreurcampagnes van extreemlinkse organisaties hadden andere ideologische uitgangspunten, organisatiestructuren en doelwitten en worden in de geschiedschrijving afzonderlijk bestudeerd.
De uitdrukking strategy of tension kwam kort na de bomaanslagen van 12 december 1969 in het Britse journalistieke debat over Italië in omloop. Op 14 december gebruikte The Observer de formulering in zijn berichtgeving over de Italiaanse crisis. Treccani schrijft de introductie van de term aan het Britse weekblad toe.
Biscione heeft de ontstaansgeschiedenis nader onderzocht en stelt dat de formulering moet worden gezien binnen een Brits-Italiaans journalistiek en politiek debat dat al vóór de aanslag aandacht besteedde aan mogelijke staatsgrepen, het kolonelsregime in Griekenland en de politieke instabiliteit in Italië. De Italiaanse uitdrukking strategia della tensione kreeg vervolgens snel een ruimere betekenis en werd gebruikt om een samenhang te beschrijven tussen bloedige aanslagen, neofascistische subversie en coupprojecten uit de eerste helft van de jaren zeventig.
Vanaf de jaren tachtig raakte de term volgens Biscione algemeen ingeburgerd in de historische literatuur, hoewel historici bleven discussiëren over de precieze verklarende waarde en chronologische grenzen ervan.
De strategie van de spanning ontwikkelde zich tijdens de Koude Oorlog, in een land met een sterk gepolariseerd politiek bestel. De christendemocratische Democrazia Cristiana vormde de centrale regeringsmacht, terwijl de Italiaanse Communistische Partij (PCI) een van de grootste communistische partijen van West-Europa was. Zowel binnen Italië als bij westerse bondgenoten bestond langdurige bezorgdheid over een mogelijke communistische machtsdeelname.
Tegelijkertijd kende Italië vanaf 1968 grootschalige studentenprotesten, arbeidsconflicten en maatschappelijke mobilisatie. Tijdens de autunno caldo, de "hete herfst" van 1969, vonden omvangrijke stakingen en bedrijfsconflicten plaats. In dit klimaat radicaliseerden zowel groepen aan de uiterste linkerzijde als delen van de neofascistische rechterzijde. Treccani plaatst Piazza Fontana tegen de achtergrond van deze sociale conflicten, de electorale positie van de PCI en de vrees binnen radicaal-rechtse milieus voor een verschuiving naar links.
Binnen het neofascistische milieu waren onder meer Ordine Nuovo en Avanguardia Nazionale actief. Daarnaast bestonden contacten, informantenrelaties en andere verbindingen tussen extreemrechtse activisten en afzonderlijke functionarissen uit staats- en veiligheidsstructuren. Historicus Tobias Hof benadrukt daarbij dat extreemrechtse terroristische groepen niet uitsluitend als instrumenten van staatsactoren kunnen worden begrepen: hun eigen ideologie, radicalisering, interne dynamiek en politieke doelstellingen speelden eveneens een zelfstandige rol.
Naast terroristische aanslagen vonden in dezelfde periode verschillende rechtse coupprojecten plaats. De bekendste was de Golpe Borghese, een staatsgreeppoging onder leiding van Junio Valerio Borghese in december 1970, waarvan de uitvoering in de nacht van 7 op 8 december werd afgebroken. Andere samenzweringen, waaronder de zogenoemde Rosa dei Venti, bleven grotendeels in het stadium van voorbereiding. Volgens Avilés was de Borghese-coup de enige van deze samenzweringen waarbij een begin van operationele uitvoering plaatsvond.
Op 12 december 1969 ontplofte een bom in de Banca Nazionale dell'Agricoltura aan de Piazza Fontana in Milaan. Daarbij kwamen zeventien mensen om het leven en raakten tientallen mensen gewond. Op dezelfde dag vonden ook andere bomaanslagen in Milaan en Rome plaats. De aanslag geldt als een keerpunt in de naoorlogse Italiaanse politieke geschiedenis en als het klassieke beginpunt van de strategie van de spanning.
De eerste politieonderzoeken richtten zich vooral op anarchisten. Pietro Valpreda werd als verdachte gearresteerd en anarchist Giuseppe Pinelli overleed tijdens zijn verhoor op het politiebureau van Milaan. De latere gerechtelijke onderzoeken verlegden het zwaartepunt naar neofascistische netwerken rond Ordine Nuovo.
Na een uitzonderlijk lange reeks onderzoeken en processen stelde het Italiaanse Hof van Cassatie in zijn arrest van 2005 bij de beoordeling van nieuwe verdachten vast dat het bewijsmateriaal de verantwoordelijkheid van Franco Freda en Giovanni Ventura voor de gebeurtenissen van 12 december 1969 ondersteunde. Tegen hen kon deze vaststelling geen nieuwe strafrechtelijke gevolgen hebben, omdat zij voor de aanslag eerder definitief waren vrijgesproken. De complexe procesgeschiedenis van Piazza Fontana illustreert het onderscheid tussen de historische reconstructie van het neofascistische milieu achter de aanslag en de individuele strafrechtelijke veroordeling van verdachten.
Op 28 mei 1974 ontplofte tijdens een antifascistische manifestatie op de Piazza della Loggia in Brescia een bom. Acht mensen kwamen om en meer dan honderd raakten gewond. Na decennia van onderzoek werden Carlo Maria Maggi, een leidinggevende van Ordine Nuovo, en Maurizio Tramonte in 2017 definitief veroordeeld voor hun aandeel in de aanslag.
Op 4 augustus 1974 ontplofte vervolgens een bom in de trein Italicus op de spoorlijn tussen Rome en München, bij San Benedetto Val di Sambro. Twaalf mensen kwamen om en 48 raakten gewond. De aanslag werd opgeëist door de neofascistische groepering Ordine Nero, maar de strafprocessen leidden niet tot een definitieve veroordeling van de uitvoerders. De aanslag wordt desondanks in historische overzichtswerken tot de belangrijkste gebeurtenissen van de strategie van de spanning gerekend.
Op 2 augustus 1980 ontplofte in de wachtzaal van het centraal station van Bologna een zware bom. De explosie en instorting van een deel van het gebouw kostten 85 mensen het leven en verwondden meer dan tweehonderd anderen. Het was de dodelijkste terroristische aanslag in het naoorlogse Italië.
In verschillende strafprocessen werden neofascistische militanten veroordeeld voor deelname aan de aanslag. Tot de definitief veroordeelden behoren Valerio Fioravanti, Francesca Mambro, Luigi Ciavardini en Gilberto Cavallini. In juli 2025 werd ook Paolo Bellini door het Hof van Cassatie definitief tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens zijn deelname aan de aanslag.
De gerechtelijke nasleep van Bologna bracht daarnaast doelbewuste misleiding van het onderzoek aan het licht. Onder anderen Licio Gelli van P2 en functionarissen van de militaire inlichtingendienst werden in procedures wegens depistaggio — het opzettelijk op een dwaalspoor brengen van het onderzoek — veroordeeld.
Bologna wordt in een ruime chronologische opvatting als het culminatiepunt van het neofascistische stragismo behandeld. Andere historici reserveren de term strategie van de spanning vooral voor de eerdere periode die in 1974 eindigde. De opname van Bologna in het begrip is daarom mede afhankelijk van de gehanteerde historiografische periodisering.
Een van de meest omstreden aspecten van de strategie van de spanning is de verhouding tussen neofascistische organisaties en delen van het Italiaanse staatsapparaat. In verschillende onderzoeken kwamen contacten aan het licht tussen rechtsextremisten en personen binnen politie-, militaire en inlichtingendiensten. Tevens werden gevallen vastgesteld waarin onderzoeken werden vertraagd, informatie werd achtergehouden of bewijssporen op een dwaalspoor werden gebracht.
De Italiaanse parlementaire onderzoekscommissie naar terrorisme en de oorzaken van het uitblijven van de identificatie van de verantwoordelijken voor de bloedbaden behandelde deze relaties uitvoerig in haar rapporten. In een rapport uit 2000 beschreef de commissie onder meer langdurige contacten van militaire inlichtingendiensten met milieus van Ordine Nuovo en Avanguardia Nazionale en verschillende gevallen van bescherming en misleiding.
Dergelijke bevindingen betekenen niet dat het Italiaanse staatsapparaat als geheel als één opdrachtgever kan worden beschouwd. Hof wijst erop dat een uitsluitend vanuit staatssteun opgebouwde verklaring de eigen radicalisering en zelfstandige besluitvorming van extreemrechtse terroristische groepen onvoldoende verklaart. Avilés maakt eveneens onderscheid tussen aantoonbare coupprojecten en doofpotoperaties enerzijds en verdergaande samenzweringstheorieën waarvoor het beschikbare bewijs onvoldoende is anderzijds.
De internationale context werd na 1990 een belangrijk onderdeel van het debat, nadat premier Giulio Andreotti het bestaan bekendmaakte van het Italiaanse Stay-Behind-netwerk Gladio. Dergelijke clandestiene structuren waren tijdens de Koude Oorlog opgezet om in geval van een Sovjetbezetting achter de vijandelijke linies weerstand te kunnen bieden.
De ontdekking van Gladio leidde tot parlementaire onderzoeken en tot theorieën waarin het netwerk rechtstreeks met de neofascistische aanslagen werd verbonden. Ook mogelijke betrokkenheid van Amerikaanse inlichtingendiensten en van P2 werd onderzocht en is onderwerp geweest van omvangrijke journalistieke en historische literatuur.
Voor deze bredere beschuldiging bestaat echter geen algemeen aanvaard sluitend bewijs. Avilés kwalificeert rechtstreekse betrokkenheid van Amerikaanse agenten, de Stay-Behind-structuur en P2 bij de strategie als onbewezen en onderscheidt zulke hypotheses van gedocumenteerde contacten, doofpotoperaties en afzonderlijke samenzweringen. De vastgestelde misleiding door leden van P2 of functionarissen van veiligheidsdiensten in specifieke strafzaken kan daarom niet zonder aanvullend bewijs worden gebruikt om een centrale leiding over alle aanslagen te veronderstellen.
Het begrip strategie van de spanning heeft sinds de jaren zeventig verschillende betekenissen gekregen. Aanvankelijk functioneerde het vooral als politieke en journalistieke verklaring voor de gebeurtenissen rond Piazza Fontana. Later werd het een gangbaar historiografisch begrip voor een ruimere fase van neofascistische subversie, aanslagen en coupprojecten.
De discussie concentreert zich niet zozeer op de vraag óf neofascistische terroristische organisaties bloedige aanslagen pleegden — voor verschillende belangrijke aanslagen is dit door gerechtelijk onderzoek vastgesteld — maar op de samenhang tussen de afzonderlijke gebeurtenissen, de rol van personen binnen staatsinstellingen en de vraag in welke mate van één overkoepelende strategie kan worden gesproken.
Een deel van de literatuur legt sterk de nadruk op de samenwerking tussen neofascisten en elementen binnen veiligheidsstructuren. Andere onderzoekers benadrukken dat de term niet moet worden omgevormd tot een verklaring waarin iedere gebeurtenis uit de Loden jaren als onderdeel van hetzelfde complot geldt. Biscione wijst op de uiteenlopende chronologische en inhoudelijke toepassingen van het begrip. Hof benadrukt de zelfstandige radicalisering van extreemrechtse groepen, terwijl Avilés op basis van gerechtelijke stukken, parlementaire onderzoeken en gedeclassificeerde documenten onderscheid maakt tussen aantoonbare samenzweringen en onbewezen theorieën over een allesomvattende geheime leiding.
Daarmee is strategia della tensione zowel een gevestigde term in de Italiaanse geschiedschrijving als een begrip waarvan de precieze reikwijdte onderwerp van historiografisch debat blijft.