


Theodoor de Bry (Luik, ca. 1528 – Frankfurt am Main, 27 maart 1598) was een Luikse goudsmid, graficus en uitgever. Hij oriënteerde de familie De Bry eerst naar het graveren en vervolgens naar het boekenbedrijf, met de uitgeverij die hij stichtte in Frankfurt. Op artistiek vlak is hij vooral bekend van de gravures die hij samen met zijn zonen Johan Theodoor en Johan Israël maakte over exotische streken, in het bijzonder over de ontdekking en verovering van Amerika.
Hij was de zoon van de Luikse goudsmid Thiry de Bry en Catherine le Blavier. Hij werd ook goudsmid, maar is in zijn geboortestad geen meester geworden. Mogelijk dreef dit hem ertoe zijn geluk in Straatsburg en Antwerpen te beproeven. Als calvinist zal hij ook last hebben gehad van de religieuze verstrakking onder prins-bisschop Robert van Bergen, maar tot vervolgingen en confiscaties kwam het niet (zoals men anders zou kunnen concluderen uit een cryptische passage waarin hij zich beroofd en bedrogen noemde).
In het protestantse Straatsburg trad De Bry in 1560 toe tot de gilde der goudsmeden en huwde hij met Katharina Esslinger. Aangezien alleen poorters tot de gilde werden toegelaten, mag worden aangenomen dat hij zich er al eerder had gevestigd. In 1563 protesteerde hij tegen de sluiting van de gereformeerde Sint-Andreaskerk door het lutherse stadsbestuur. Zijn woning in de Kesselgasse was ruim genoeg om de hugenoot Claude Pioche en diens gezin in huis te nemen. Nadat zijn eerste vrouw kennelijk was overleden, hertrouwde hij in februari 1570 met Katharina Rölinger, dochter van een Frankfurtse goudsmid. Op grafisch vlak zette De Bry mogelijk zijn eerste stappen onder invloed van zijn geloofsgenoot Étienne Delaune. Toen die vertrok, gevolgd begin 1577 door een verbod op private diensten van gereformeerden, was ook voor De Bry de maat vol. Hij emigreerde naar Antwerpen.
Bij zijn aankomst in Antwerpen eind 1577 of begin 1578 schreef De Bry zich in zowel bij de goudsmeden als in de Sint-Lucasgilde. De eerste jaren woonde hij er alleen, maar in 1581 kwamen zijn vrouw en kinderen over uit Frankfurt. Ze betrokken een huis in de Huidevetterstraat. Uit zijn Antwerpse periode dateren de eerste gravures die van hem zijn overgeleverd. Hier zette hij definitief de stap van goudsmid naar graveur. Uit ontwerpen voor juwelen, messenheften en inktpotten blijkt dat ornamentele prenten hem hielpen deze overgang te maken. In zijn figuratieve werk onderging hij de invloed van Antwerpse graveurs als Gerard de Jode, Maerten de Vos en Philips Galle. Technisch leerde hij de kopergravure. Maar het tweejarige beleg door Farnese kelderde de economie en deed hem in 1584 of 1585 besluiten tot een nieuw emigratie naar Londen.
In die stad zette De Bry waarschijnlijk zijn eerste stappen op het gebied van kopergravures, wellicht beïnvloed door graficus Étienne Delaune. In 1577 vestigde de familie zich in Antwerpen en zette ze definitief de stap van goudsmid naar illustrator. Al in 1578 openden ze een atelier in Frankfurt am Main en bekwam De Bry er het poortersrecht. Aan de Antwerpse vestiging kwam definitief een einde na de Spaanse herovering (1585).
De aanleiding voor De Bry's verhuizing naar Londen was om koperplaten te maken voor de Engelse versie van de Spieghel der Zeevaert van Lucas Janszoon Waghenaer. Dankzij waardering voor zijn stijl en techniek kreeg hij tevens de opdracht om een illustratie te maken van de begrafenisstoet van Sir Philip Sidney. Bij die gelegenheid ontmoette hij de Fransman Jacques le Moyne, die twintig jaar eerder naar Florida in de Nieuwe Wereld was geweest. Hij was kunstschilder en had schilderijen gemaakt van de Indiaanse bevolking, maar die waren verloren gegaan na een aanval door de Spanjaarden op de Franse kolonie. Samen besloten ze zijn werken opnieuw in beeld te brengen. Een andere bepalende ontmoeting was met Richard Hakluyt. Dankzij hem kreeg hij de beschikking over de bescheiden van Thomas Harriot en John White van hun reis naar Virginia. Het werd het begin van een reeks publicaties over nieuw ontdekte landen.
In september 1588 vertrok De Bry met zijn twee zonen naar Frankfurt am Main om er in de uitgeverij te beginnen. Bij aankomst vroeg hij onmiddellijk het poorterschap aan, maar het duurde enige tijd, omdat hij eerst afstand moest doen van zijn Straatsburgse poorterschap. De lokale ambachtslieden waren beducht voor de migratie van ondernemende gereformeerden uit de Nederlanden. De Bry kende deze gemeenschap uit Antwerpen en knoopte met hen aan, zoals blijkt uit zijn aanstelling tot testamentuitvoerder van Quinten Massijs (II), zijn samenwerking met Joris en Jacob Hoefnagel, en het dubbelhuwelijk van zijn zonen met de dochter van Marsilius van der Heijden. Ook met hugenoten had hij affiniteit. Hij was de uitgever van Jean-Jacques Boissard en illustreerde diverse van zijn boeken.
Als uitgever bleef De Bry buiten het gildewezen. Hij associeerde zich met de uitgevers Sigmund Feyerabend († 1590) en Johan Wechel († 1593), om na hun dood zelfstandig de firma verder te zetten. Door zijn beperkte kennis van het Latijn had De Bry geen grote humanisten in zijn fonds. De commerciële logica primeerde, tot ontsteltenis van een auteur als Boissard, of van een vriend als Clusius. Zijn beheersing van de kopergravure was cruciaal om een zich te positioneren. Weliswaar was hij al oud en leed hij aan jicht. Zijn zonen Johan Israël en Johan Theodor hadden hem altijd bijgestaan en bleven dat doen, maar het stemde hem bitter dat ze daarnaast een eigen zaak begonnen (die zou blijven bestaan tot de dood van hun moeder).
De oude De Bry nam het initiatief voor de twee reeksen op die nog decennialang de opbrengsten van de uitgeverij zouden domineren: India Occidentalis (de 'Grote reizen', over Amerika) en India Orientalis (de 'Kleine reizen', over Azië en Afrika). Buiten deze reeksen publiceerde hij in 1598 een geïllustreerde uitgave in het Latijn van de aanklacht van Bartolomé de las Casas (Brevísima relación de la destrucción de las Indias, 1552). Hij graveerde de prenten naar tekeningen van Joos van Winghe. Thematisch sloot het werk aan bij zijn successeries, maar het was nog altijd controversieel en hij kon niet riskeren dat de kip met de gouden eieren op de Index librorum prohibitorum zou belanden. Dit soort overwegingen moest een internationale uitgever in zijn tijd maken.
In een ander register gaf De Bry een boek uit met sultanportretten naar Joris Hoefnagel (1596), een vierdelige portrettengalerij van beroemdheden op tekst van Boissard (1597-1599), en een zesdelige reeks van diezelfde auteur over oudheden in Rome (1597-1602).
Na De Bry's dood in 1598 werd de uitgeverij-drukkerij in Frankfurt voortgezet door zijn weduwe en zijn zonen.
Twee veelvuldig herdrukte publicaties werden de reeksen reisverslagen, India Occidentalis en India Orientalis, over respectievelijk West-Indië (bij uitbreiding Amerika) en Oost-Indië (bij uitbreiding Azië en Afrika). Samen ging het om vijfentwintig kloeke en rijk geïllustreerde folio's, die zowel in het Duits als in het Latijn werden uitgebracht. Ze bedienden een publiek dat gretig kennis wilde nemen van de niet-Europese culturen die het tijdperk van de grote ontdekkingen voor het voetlicht had gebracht. Het eerste deel verscheen in 1590 bij Theodoor de Bry en het laatste werd in 1634 uitgebracht door zijn schoonzoon Matthaeus Merian.
De aanzet werd eigenlijk gegeven door de Tudor-hoveling Richard Hakluyt, die De Bry in Londen benaderde met de vraag om het verslag van Thomas Harriot over de Engelse kolonie Roanoke in meerdere talen te publiceren (A Briefe and True Report of the New Found Land of Virginia, 1588). Hakluyts doel was de Engelse claim op het gebied internationaal te verstevigen. Daartoe stelde hij De Bry de aquarellen van gouverneur John White ter beschikking en hielp hij bij het vertalen. Het resultaat werd uitgebracht in het Latijn, Duits, Engels en Frans. Voor het tweede deel over Florida – en voor alle latere delen – was dat alleen nog Latijn en Duits. Ook bij dit tweede deel waren Hakluyt en de Engelse hovelingen betrokken, al kwamen de illustraties deze keer van de Fransman Jacques Le Moyne de Morgues. Toen De Bry weigerde het boek op te dragen aan Walter Raleigh, verloren de Engelsen hun belangstelling.
Bij de selectie van de reisverslagen toonde Theodoor de Bry een voorkeur voor iets oudere auteurs: René de Laudonnière, Jean de Léry, Hans Staden, Ulrich Schmidel, Girolamo Benzoni. Voor de India Orientalis koos hij Filippo Pigafetta's Relazione del reame di Congo. De teksten werden afgestemd op het doelpubliek. De Latijnse editie was internationaal en moest dus ook voor katholieken aanvaardbaar zijn. Daartoe liet De Bry soms scherpe passages weg die in het Duits wel werden opgenomen. Er is beweerd dat hij als gereformeerde de kolonisering door Engelse, Franse en Nederlandse protestanten verheerlijkte en de kolonisering door Spaanse en Portugese katholieken hekelde. Polemisch zou hij een contrast hebben gemaakt tussen vredig versus wreed kolonialisme. Misschien was die vooringenomenheid enigszins aanwezig in de eerste delen, maar de uiteindelijke collectie was zo divers dat dit in het algemeen moeilijk valt vol te houden. De uitgevers mikten ook op een katholiek publiek, dat ze niet te veel voor het hoofd wilden stoten, laat staan dat ze wilden riskeren op de Index te komen. Waar ze materiaal selecteerden dat de wreedheden van de conquistadores aan de kaak stelde, gingen ze dat eerder afzwakken dan de zwarte legende nog bijkomend te versterken.
Deels als oplossing voor dit probleem lijken ze de andersheid van de niet-Europese volken te hebben overdreven. Heidense rituelen, naaktheid, kannibalisme, mensenoffers... Het was sensationeel en het liet christenen van alle gezindten toe zich beschaafd te voelen. Dit kwam ook tot uiting in de hoogwaardige gravures die het werk zo aantrekkelijk maakten (zo'n 590 over de hele collectie). Bijna de helft ervan week aanzienlijk af van het bronmateriaal of was uit eigen verbeelding ontsproten. Deze prenten bepaalden mee het beeld dat de Europeanen in de 16e eeuw van Amerika hadden. De onnauwkeurigheid kwam misschien deels doordat De Bry en zijn nakomelingen de Nieuwe Wereld alleen kenden uit de reisverslagen. Maar het was zeker ook bewust dat ze de inheemse bevolking vaak minder beschaafd afbeeldden dan op de originele illustraties. Kleding en architectuur hadden veel weg van die van het Middellandse Zeegebied. Duivels werden aan sommige afbeeldingen toegevoegd om het heidendom van de inheemse bevolking te benadrukken. Spectaculaire en gruwelijke details werden benadrukt. Hun boeken waren daarom populair in de Nederlanden tijdens de strijd tegen de Spanjaarden.
De prentkunst van De Bry uitte zich onder meer in: