| Thomas van Aquino | ||||
|---|---|---|---|---|
| kerkleraar | ||||
| Geboren | 28 januari 1225 te Roccasecca | |||
| Gestorven | 7 maart 1274 te Fossanova (Abdij) in Priverno | |||
| Verering | Katholieke Kerk | |||
| Zaligverklaring | 13 juli 1323 | |||
| Heiligverklaring | 18 juli 1323 te Avignon door paus Johannes XXII | |||
| Schrijn | Jacobijnenkerk, Toulouse | |||
| Naamdag | 28 januari | |||
| Attributen | kelk, monstrans, os, ster, zon | |||
| Beschermheilige voor | academici; theologen; geloofsverkondigers; kuisheid; scholen; bliksem; uitgevers; stormen; studenten | |||
| Religieuze orde | Dominicanen | |||
| Beroep | theoloog, rooms-katholiek priester, filosoof, schrijver, katholiek theoloog, frater, theologiedocent, academisch docent, professor in de filosofie, monnik | |||
| Ambt | professor | |||
| Afbeeldingen | ||||
| Lijst van christelijke heiligen | ||||
| ||||


Thomas van Aquino, Aquinas of Thomas Aquinas (Roccasecca, ± 1225 – Priverno, abdij Fossanova, 7 maart 1274) was een Italiaanse filosoof en theoloog, die tot de scholastici gerekend wordt. Hij is een van de invloedrijkste denkers op theologisch en wijsgerig gebied uit de middeleeuwen. Zijn werken genieten tot op de dag van vandaag aanzien in de katholieke kerk. Als kerkleraar is hij bekend als Doctor Angelicus.
Thomas van Aquino werd geboren in het kasteel Roccasecca, toentertijd onderdeel van het Koninkrijk Sicilië. Volgens bepaalde lokale tradities en kerkelijke auteurs zou zijn geboorteplaats eerder het familiekasteel in de stad Belcastro zijn, gelegen nabij Catanzaro, in Calabrië. Hij was een lid van een vooraanstaande familie die wilde dat hij na zijn jeugd intrede deed bij de benedictijnen. Hij trad echter in 1244 toe tot een andere kloosterorde, de dominicanen. Zijn familie was hier zo boos over dat zijn broers hem ontvoerden en hem in het kasteel gevangen hielden.
In 1246 werd hij naar Parijs gestuurd, waar hij leerling werd van de Duitse filosoof Albertus Magnus, die hij naar Keulen volgde. In 1252 begon Van Aquino zelf met lesgeven in de Bijbelleer. Dit deed hij in het klooster Saint-Jacques in Parijs. In deze tijd schreef hij ook enkele commentaren op een aantal boeken van het Oude en Nieuwe Testament. Op bevel van paus Alexander IV kreeg hij in 1257, tegelijk met de theoloog Bonaventura, de academische graad van magister, verleend door de Universiteit van Parijs.
Nadat Van Aquino uit Parijs vertrokken was, verbleef hij van 1259 tot 1265 aan het pauselijk hof in Anagni, een kleine Italiaanse stad. In 1265 vertrok hij naar het klooster bij de Santa Sabina in Rome, en hij vervolgde zijn reis in 1267 naar Viterbo. In deze Italiaanse stad, die de residentie was van vele pausen, verbleef hij aan het pauselijk hof.
Van 1269 tot 1272 verbleef hij nogmaals in Parijs. In deze periode had hij veel discussies met andere geleerden en filosofen over het aristotelisme en het ordewezen in de kloosters. Van 1272 tot 1273 verbleef Van Aquino weer in Italië. Daar ging hij aan de Universiteit van Napels lesgeven.
Tegen het einde van zijn leven had hij een visioen, waardoor hij alles wat hij tot dan toe geschreven had als 'stro' beschouwde. Sindsdien heeft hij niets meer geschreven, en daardoor ook zijn Summa theologiae niet afgemaakt. Begin 1274 vertrok hij uit Napels naar het Concilie in Lyon, maar hij stierf onderweg in de cisterciënzerabdij van Fossanova, tussen Napels en Rome.
In 1277 veroordeelde de bisschop van Parijs enkele van zijn stellingen, maar deze veroordeling werd herroepen toen paus Johannes XXII Thomas van Aquino in 1323 heilig verklaarde. In 1567 benoemde paus Pius V, zelf een dominicaan, hem tot kerkleraar. In de heiligenkalender van 1962 wordt hij op zijn sterfdatum (7 maart) gevierd. In de heiligenkalender van 1969 wordt hij echter op 28 januari gevierd, de dag dat zijn relieken naar Toulouse werden overgebracht, ook al is de algemene regel in de Katholieke Kerk dat de heiligen op hun sterfdag gevierd worden.
Hij wordt vaak afgebeeld als dominicaan met boek en ganzenveer in de hand, met de zon, een ster of een edelsteen op de borst; als attributen figureren vaak kelk en monstrans, lelie en duif.

In de eerste helft van de 13e eeuw ontstond een beweging tot verbetering van het christelijke leven. Dit ging gepaard met een streven naar een leefwijze die de christenen in de eerste eeuwen van de kerk hadden, een waarlijk apostolisch leven in eenvoud, in tegenstelling tot de leefwijze van veel priesters en bisschoppen die in rijkdom en overvloed leefden. De bedelorden die aan het begin van de 13e eeuw ontstonden in de steden, leverden belangrijke bijdragen aan de opleving van de vroomheid. Daarnaast waren de vele middelbare scholen in de steden van grote betekenis voor de middeleeuwse geestelijke cultuur. Belangrijk was ook dat de zeggenschap van wereldlijke leiders over benoemingen op kerkelijke posten moest worden beëindigd (investituurstrijd). Paus Innocentius III (pontificaat 1198–1216) behaalde ten slotte in dit opzicht de overwinning van de Kerk over de wereldlijke macht.
De zogeheten "renaissance van de twaalfde eeuw" ging op geestelijk gebied gepaard met een sterke opleving van de wetenschap. In korte tijd werden de hoofdwerken van Arabische en Griekse filosofen en allerlei wetenschappelijke teksten in het Latijn vertaald. Vóór 1200 beschikte men in het Westen slechts over een beperkt deel van de vertaling van de hoofdwerken van Aristoteles, die als de tolk van de natuurlijke orde werd beschouwd. De dominicaan Willem van Moerbeke en anderen vertaalden in de eerste helft van de 13e eeuw de rest van Aristoteles' oeuvre.
De kracht van de menselijke rede werd ontdekt: Anselmus van Canterbury opende de deur voor de 'redenerende theologie'. Het grote vertrouwen in de menselijke rede leidde tot de scholastieke methode: een objectieve benadering waarbij de auteur geheel in dienst staat van het zoeken naar de waarheid. De scholastiek gebruikt gezaghebbende auteurs: in de Summa theologiae van Van Aquino staan behalve 25.000 citaten uit de Bijbel, 2500 citaten van Augustinus en 2500 uit de werken van Aristoteles alsook vele aanhalingen uit Dionysius de Areopagiet en anderen, onder wie joodse schrijvers als Maimonides en islamitische auteurs als de filosofen Avicenna en Averroes.
In de 13e eeuw streefden geleerden naar een ordening, een coherent systeem waarin temperamenten, intellectueel en moreel leven onder te brengen waren. Een plastische weergave van de scholastiek, hét denksysteem uit de hoge middeleeuwen, is de 13e-eeuwse gotische kathedraal: een soort encyclopedie in steen waar alles zijn vaste plaats en betekenis heeft.
Het werk van Thomas van Aquino is een voorbeeld van de voorstelling van deze ordening. Van Aquino ontwierp een rationeel systeem waar alles in paste en waarbij hij logisch en inductief te werk ging. Zijn werk geeft onder meer een beeld van de middeleeuwse kosmologie, met haar bekende elementen: de zeven sferen en zeven planeten, twee of drie hemelen (waarbij het aantal hemelsferen op negen of tien komt), de vier elementen (aarde, water, lucht en vuur), de cirkelvormige beweging van de hemellichamen (die werd gezien als een teken van volmaaktheid), de tegenstrijdige beweging van de dingen op de (onvolmaakte) aarde (aarde en water van boven naar beneden, vuur en lucht van beneden naar boven).
Bovenal was Van Aquino een theoloog met een scherp gevoel voor mysterie. Steeds gaat het in zijn werken om God: alle andere dingen zijn relevant voor zover ze betrekking op God hebben. Daarbij is hij zeer precies in de taal die we voor God gebruiken: wat kunnen we nog wel zeggen, en waar houdt onze kennis op? Tenslotte is Van Aquino een Bijbels theoloog. De Schrift staat steeds centraal en alle vragen die de tekst van de Bijbel oproept worden zeer serieus bestudeerd. Ook Van Aquino's grootste werk, zijn Summa theologiae, laat zich lezen als een Bijbelse theologie.
Dat betekent echter niet dat er geen ontwikkeling in zijn denken zit. Op een aantal punten zijn er aanwijzingen dat Van Aquino in de loop van zijn carrière van mening verandert, zodat de dingen die hij schrijft gelezen moeten worden als het huidige beste antwoord.
Thomas van Aquino maakte onderscheid tussen het goddelijke en menselijke recht, tussen geestelijke en wereldse macht. Hij stelde dat "het goddelijke recht dat op genade gebaseerd is, het menselijke recht dat uit de rede voortkomt niet wegneemt."

Thomas van Aquino schreef in zijn betrekkelijk korte leven een honderdtal werken, waaronder:
Hij gebruikte wel materiaal van anderen, maar bouwde een zelfstandig stelsel op dat getuigde van zijn veelzijdigheid en visie.
Thomas van Aquino betrok denken en geloven nadrukkelijk op elkaar. Hij was ervan overtuigd dat denken en geloven niet tegengesteld konden zijn. Zijn stelsel had voor de rede een eigen taak en bood ruimte en vaktermen voor de hele toenmalige wetenschap. Het 'thomisme' werd door paus Leo XIII in 1879 in zijn encycliek Aeterni patris tot verplicht onderwerp van de theologische studie verklaard.
Het oeuvre van Thomas van Aquino is overgeleverd in vele handschriften. Van een aantal van zijn teksten is een autograaf bewaard gebleven. Van Aquino zelf schreef vrijwel onleesbaar; zijn schrift doet denken aan een variant op steno. Zijn tijdgenoten spraken van de "littera inintelligibilis", een onbegrijpelijk schrift. Hij dicteerde zijn werken dan ook aan verschillende medebroeders die als secretaris fungeerden. Er bestaan verschillende uitgavenreeksen van zijn werken. De grote Editio Leonina, die wordt uitgegeven door een internationaal team van dominicanen, is nog niet voltooid.
De jezuïet Robert Busa heeft vanaf 1945 het oeuvre van Thomas van Aquino met computers onderzocht. Dit heeft geresulteerd in de Index Thomisticus, de eerste door een computer samengestelde concordantie. Hierin is aangegeven in welke context Van Aquino woorden heeft gebruikt. Busa stelde vast dat hij meer dan zeven miljoen woorden heeft geschreven.
Aan het eind van de 13e eeuw kwam een aantal van Van Aquino's of aan hem toegeschreven stellingen onder vuur te liggen. Dit is bekend geworden onder de naam 'Correctoria-strijd' en kan gezien worden als een eerste fase van receptie van zijn denken.
De receptie van Van Aquino kwam voor een tweede maal tot bloei in de 15e en 16e eeuw. In de zestiende eeuw waren het vooral theologen als Thomas Cajetanus, Luis de Molina en Domingo Báñez die hem bestuderen.
Een derde golf van Van Aquino's-receptie vond plaats vanaf het einde van de 19e eeuw: Hij werd mede door zijn systematische stijl gezien als een goed katholiek antwoord op het opkomend liberalisme en communisme. Hier ontstond het zogenaamde neothomisme.
Een vierde golf ontstond halverwege de 20e eeuw als een reactie op het neo-thomisme. De kritiek was dat Van Aquino in het neothomisme te veel als 19e-eeuwer gelezen wordt en uit zijn middeleeuwse context is getrokken. Een tweede punt van kritiek was dat het neothomisme zich te exclusief richt op Van Aquino's filosofie, terwijl de filosofie bij hem steeds in dienst staat van de theologie en er niet los van gezien kan worden.
Vanwege dit neothomisme is Van Aquino een omstreden theoloog: velen (die hem alleen door de bril van het neothomisme kennen) vinden hem achterhaald, terwijl hij voor anderen de katholieke theoloog bij uitstek is.
De 5 godsbewijzen van zijn summa theologiae, Boek I, Quaestio 2, Artikel 3, behoren tot zijn invloedrijkste ideeën:
Een aantal filosofen, waaronder Bertrand Russell, heeft gereageerd tegen de geldigheid van Aquino's godsbewijzen. Russells bezwaar kwam erop neer dat Thomas van Aquino een beroep deed op theologische vooronderstellingen die zonder discussie aanvaard zouden moeten worden. Thomisten wijzen erop dat Van Aquino juist vertrekt vanuit de zintuiglijke ervaring die door iedereen wordt gedeeld.
Thomas van Aquino was uitermate corpulent. Dit leidde ertoe dat hij in de koorbanken in feite twee plaatsen innam. De scheiding tussen beide werd hiertoe weggenomen. Dante beschreef hem hierdoor als gezeten in het paradijs, namelijk de hemel van de zon (canto 10-11 & 13).

Voor de aula van de Radboud Universiteit te Nijmegen (Comeniuslaan) bevindt zich een standbeeld van Thomas van Aquino (1926), vervaardigd door de beeldhouwer August Falise.