

Een triquetrum (afgeleid van latijn tri- (drie) en quetrum (hoekig)) was in de astronomie in de middeleeuwen de naam van een goniometer die gebruikt werd om de zenithsafstand (of hoogte) van een ster te bepalen evenals de parallax van de Maan. Het instrument werd voor het eerst beschreven door Claudius Ptolemaeus in het vijfde boek van de Almagest en noemde het een 'parallactisch instrument'.
Een triquetrum had dezelfde functie als een kwadrant en was ontworpen om hoeken nauwkeurig te bepalen. Het bestaat uit drie linealen die een gelijkbenige driehoek vormen. Een van de gelijke zijden (AB in de afbeelding) staat verticaal; de andere zijde AC is draaibaar om het bovenste uiteinde (A) en voorzien van vizieren waarmee het instrument op een ster gericht kan worden. De derde zijde BD is voorzien van een schaalverdeling waarmee de lengte van de ongelijke zijde BC gemeten wordt en daardoor de hoek z bij A en de zenithsafstand van de ster bepaald worden.
Het triquetrum was een van de populairste astronomische instrumenten tot de uitvinding van de telescoop. Het kon hoeken nauwkeuriger meten dan een astrolabium. Nicolaas Copernicus beschrijft het gebruik ervan in het vierde boek van De revolutionibus orbium coelestium onder de hoofding "Instrumenti parallactici constructio". Ook Tycho Brahe maakte gebruik van een triquetrum.
.