| Troides aeacus IUCN-status: Niet bedreigd (2020) | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Troides aeacus formosanus ♀ (Taiwan) | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Troides aeacus (C. & R. Felder, 1860) Originele combinatie Ornithoptera aeacus | ||||||||||||
| Verspreidingskaart
■ Troides aeacus (rood) | ||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||
| ||||||||||||
| ||||||||||||
Troides aeacus is een Aziatisch vlindersoort uit de familie van de pages (Papilionidae).
De soort komt voor in het zuidoosten van Azië. Het leeft in het bos en struikgewas op een hoogte van 0 tot 2.500 m.
De soort komt seizoensgebonden voor tussen januari en april en tussen juni en oktober.
De waardplanten zijn uit de pijnbloemfamilie (Aristolochiaceae), en met name van het geslacht Aristolochia.

De vleugelspanwijdte bedraagt maar liefst 14–16.5 cm (♂) en 15–19 cm (♀), en daarmee behoort de soort tot de grootste vlindersoorten in de regio.
Bovenzijde: Voorvleugel diepzwart. Buitenste aders omrand met vaalgrijze geschubde strepen, die het duidelijkst zichtbaar zijn vanaf de onderkant van de onderste middenader, waar ze enigszins geelachtig zijn, en van daaruit naar voren toe in intensiteit afnemen; soortgelijke strepen zijn ook licht zichtbaar aan het uiteinde van de cel. De vleugelwortel is zwart. De franje is afgewisseld zwart-wit.
Achtervleugel diep goudgeel. Aan de vleugelwortel en de voorste rand van de costale ader een smalle zwarte rand lopend langs de achterrand van de vleugel met kegelvormige vlekjes, en de abdominale rand zwart, waarbij de drie subanale kegels naar binnen toe breed omrand zijn met zwarte, poederachtige schubben, en zeer zelden is er een kleine zwarte binnenste vlek aanwezig in de onderste mediane tussenruimte; abdominale rand bruin; franje zwart; aders dun en zwart.
Onderzijde: Voorvleugel lichter zwart, met de bleke blauwgrijze strepen duidelijker afgebakend, en de onderkant met gelige schubben. Achtervleugel zoals bovenzijde, behalve dat de buikrand bruin is en de zwarte schubbenrand bij de subanale kegels bij bepaalde lichtomstandigheden door halfdoorzichtigheid zichtbaar zijn.
Bovenzijde: Voorvleugel diep bruinzwart of dofzwart, met de vaalgrijze strepen langs de buitenste aders, zeer opvallend en breed over de gehele lengte van de aders, en binnenin de cel. De vleugelwortel is zwart.
Achtervleugel goudgeel; met een brede zwarte vleugelwortel en een zwarte rand langs de costale ader, een dikke, zwarte strook langs de vleugelachterrand met aaneengesloten kegeltjes, en een discale rij van grote, langgerekte kegelvormige vlekken, waarbij de subanale kegeltjes aan de binnenzijde omrand zijn met zwartachtige, poederachtige schubben. Aders dik en zwart omlijnd. Franje aan beide vleugels afwisselend zwart-wit.
Onderzijde: Zoals bovenzijde, behalve dat de voorvleugel blauw-grijze aderstrepen heeft en de achtervleugel met subanale kegeltjes omrand is door groengele schubben.
De kop, borststuk, antennes en poten zijn zwart. De kraag rondom de kop is zwart of bloedrood. De zijkanten van de borststuk aan de onderzijde zijn bloedrood. Het achterlijf is aan de bovenzijde grijsachtig zwart, met gele segmentbanden bij het mannetje, en is aan de onderzijde geel, met een zijdelingse rij zwarte vlekken bij het mannetje en twee zijdelingse rijen bij het vrouwtje. De anale valven van het mannetje zijn lichtroze tot wit.
De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd als Ornithoptera æacus in 1860 door Cajetan en Rudolf Felder.
Originele beschrijving van C. & R. Felder (1860)
De vleugels zijn breed uitgespreid, met bleke franje; de voorvleugels zijn vrij smal (vanwege de lengte van de achterrand), de binnenrand is licht gebogen, aan beide zijden bruin, en de aders aan de wortel zijn witachtig omrand. De achtervleugels zijn aan beide zijden zwart, de binnenrand is recht afgekapt, de centrale celvlek beslaat meer dan de helft van de achterrand, met daaraan zeven langgerekte cellen naar de onderrand, aan de onderrand diep gegolfd, de fasciae zijn gerangschikt, bleek goudgeel, elk met een mediane vlek in de grondkleur, de eerste onderbroken door een brede zwarte band, de vijfde en zesde met bijna lineaire spleten, aan de bovenkant gemarkeerd met witachtige spikkels.
Borststuk en achterlijf zijn zwart; het borststuk is aan de voorkant omringd door een rode ring, het achterlijf heeft roodachtige zijstekels; de zijkanten van het achterlijf zijn geelachtig, gemarkeerd met zwart.
Het enige ons bekende exemplaar van deze soort, dat zich al door de vleugelvorm van zijn verwanten onderscheidt, is tegelijk met minos Cramer (pompeus Cramer var.) uit de oude Marchand-verzameling in onze verzameling terechtgekomen. Hoewel het qua tekening verwant is aan minos en soortgelijke variëteiten van de pompeus uit de Bengalen, onderscheidt het zich ook hier door de recht afgesneden celvlek op de achtervleugels, een kenmerk dat alleen bij de soorten darsius en haliphron voorkomt.
— Lepidopterologische fragmente. Weiner Entomologische Monatschrift, 4 (8), p. 229
De soort Troides aeacus (C. & R. Felder, 1860) omvat de volgende ondersoorten:
Sommige literatuur deelt de soort in bij andere gelijke soorten in een Troides aeacus-soortgroep. T. aecus is dan de nominaat hiervan en de andere leden van de clade zijn: