| Wilde narcis | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Ondersoort | ||||||||||||||||||
| Narcissus pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus) is een ondersoort van de plantensoort Narcissus pseudonarcissus. De ondersoort komt oorspronkelijk voor in weilanden, bossen en op rotsige plekken. De plant wordt veelvuldig gekweekt en de gekweekte vorm wordt vaak verwilderd aangetroffen.
Narcissus was in de Griekse mythologie de zoon van de riviergod Cephisus en de nimf Liriope. "Pseudonarcissus" betekent "valse" of "geen echte" narcis.
Behalve de Nederlandse triviale naam "(wilde) narcis" werd vroeger ook wel de naam "tijloos" gebruikt.
Wilde narcis is een vaste, kruidachtige plant die groeit als bolgewas. De bladeren en bloemstengels ontspringen uit de bol. De plant bereikt een hoogte van 15–30 cm. De wortelstandige bladeren zijn meestal grijsgroen van kleur. Ze zijn lijnvormig, hebben een lengte van 12–35 cm en zijn 0,6–1,5 cm breed. De plant bloeit in het voorjaar, van maart tot mei. De alleenstaande bloemen staan knikkend op een iets afgeplatte bloemsteel van 3–12 mm en zijn 35–50 mm lang. De bloemdekslippen zijn lichtgeel, de bijkroon (corona) is diepgeel en trompetvormig, naar boven maar een klein beetje verwijd. De trompet is ongeveer even lang als de bloemdekslippen of iets korter. De schede is bruin en papierachtig. De stijl is draadvormig en heeft een 3-lobbige stempel. De vrucht is een doosvrucht.


Bij trompetnarcis steken de bloemstelen duidelijk boven de bladeren uit, zijn zowel de bloemdekbladen als de bijkroon heldergeel en wordt de bijkroon naar boven toe wijder. Trompetnarcis bloeit iets later.
Wilde narcis groeit op zonnige tot halfbeschaduwde standplaatsen op matig vochtige tot vrij natte, mesotrofe tot meso-oligotrofe, neutrale tot vaak zwak zure, humeuze grond (zandig leem, leem en laagveen). De soort is te vinden in grasland (beekdalgrasland en almen), bermen, bossen (lichte loofbossen, bij buitenplaatsen en moerasbossen), bosranden, bosjes, soms op ruderale plaatsen en hellingen.
Het verspreidingsgebied van wilde narcis strekt zich uit over West-Europa, van Groot-Brittannië en Nederland tot in Midden-Spanje, oostelijk tot in Beieren en Italië. In andere delen van Europa is de plant plaatselijk verwilderd, evenals in o.a. Noord-Amerika.
In Nederland komt de plant in zeer beperkte mate voor in het heuvelland van Zuid-Limburg, in zuidelijk Drenthe en in het noordoosten van Overijssel. In deze laatste twee gebieden komt de soort vooral voor in boerentuinen. Elders kan zij nog worden aangetroffen als stinsenplant. De wilde variant staat op de Nederlandse Rode Lijst als zeer zeldzaam en sterk afgenomen.
In België is de Vallei van de Holzwarche een bekende groeiplaats van wilde narcis. Dat geldt ook voor het dal van de Hohnbach, een zijrivier van de Geul.
De bollen, bladeren en stengels van wilde narcis zijn zeer giftig.