| Tureng Tepe | ||||
|---|---|---|---|---|
Vrouwenbeeldje, Tureng Tepe periode IIIB, 3e millennium v.Chr. | ||||
| Situering | ||||
| Land | ||||
| Locatie | Golestan | |||
| Coördinaten | 36° 56′ NB, 54° 35′ OL | |||
Uitzicht op het dorp Tureng Tepe vanaf de archeologische heuvel | ||||
| ||||
Tureng Tepe (Perzisch: تورنگ تپه, ook gespeld als Turang Tappeh, "Fazantenheuvel") is een archeologische vindplaats uit het neolithicum en kopertijd in de vlakte van Gorgan, nabij het gelijknamige dorp ongeveer 17 kilometer ten noordoosten van de stad Gorgan in het noordoosten van Iran. De site was een belangrijk fort in de Sassanidische periode, onderdeel van de Grote Muur van Gorgan.
Tureng Tepe bestaat uit een groep heuvels, die een gebied van ongeveer 35 hectare beslaan, afgewisseld met vijvers en waterlopen. Het gehele archeologische patroon heeft een diameter van ongeveer 900 meter. De meeste heuvels steken tussen de 11 en 15 meter boven het niveau van het omringende landschap uit, maar de steile centrale heuvel is meer dan 30 meter hoog en domineert de site. Aan de voet van de grote heuvel ligt het moderne dorp. De belangrijkste heuvels zijn:
In 1841 werd een deel van de vondsten afkomstig van de site, waaronder gouden vaatwerk bekend als de "Schat van Asterabad", naar Mohammad Sjah Kadjar gestuurd. Het werd onderzocht door Clement de Bode, wat de eerste moderne interesse in de site wekte. De eerste wetenschappelijke opgravingen werden uitgevoerd door Frederick Wulsin in juni en oktober 1931, gesponsord door het Nelson-Atkins Museum of Art. Er werden grijs gepolijst aardewerk, rood aardewerk, rood aardewerk met zwarte beschildering, grof aardewerk en één voorbeeld van crèmekleurig aardewerk met zwarte beschildering gevonden en bestudeerd. De opgravingen vonden plaats op de centrale heuvel (heuvel A), met een 17 meter diepe put aan de top om een grote bakstenen structuur te onderzoeken die uit de westelijke zijde van de heuvel erodeerde. Het gebouw bleek uit twee bewoningslagen te bestaan en stond op een breed platform van leemstenen. Er werden ook tunnels uitgegraven aan de noord- en oostzijde van heuvel A. Op heuvels C en A werden opgravingsvakken gegraven. Op heuvel A werd één graf gevonden en op het oppervlak van heuvel C bevonden zich 75 graven uit de bronstijd, geassocieerd met architectonische overblijfselen. Een aantal vondsten belandde in het Penn Museum in Pennsylvania.
In 1960 werden de opgravingen op de locatie hervat onder leiding van Jean Deshayes van de Universiteit van Parijs. Gedurende twee maanden werden twee proefputten gegraven in het noordelijke deel van heuvel C om de stratigrafie vast te stellen. In 1962 werden drie putten gegraven op Tepe-Zuid. De werkzaamheden aan heuvel A begonnen in 1967 en duurden tot 1977, waarbij in totaal 3150 m² werd opgegraven. De publicatie van de opgravingen begon, werd onderbroken door de Iraanse Revolutie en het overlijden van Deshayes, maar later hervat.
De oudste overblijfselen op de site dateren uit het neolithicum en de kopertijd. Het bronstijdgedeelte dateert van ongeveer 3100-2900 v.Chr. tot 1900 v.Chr. De lagen tot en met IIIC zijn synchroon met die van Tepe Hissar.

De figurines van Tureng Tepe worden als opmerkelijk beschouwd. Ze omvatten zowel terracotta als stenen beeldjes.
Wat de stenen beeldjes betreft, zijn er veel overeenkomsten tussen Tureng Tepe en de nabijgelegen vindplaatsen Shah Tepe, Tepe Hissar en Gohar Tepe. De terracottabeeldjes van Tureng Tepe zijn echter zonder gelijkenissen op andere nabijgelegen sites. Deze gebakken kleibeeldjes vertonen overeenkomsten met vindplaatsen verder weg, in Turkmenistan en de Indusvallei. Er zijn zelfs parallellen gesuggereerd tot in Mesopotamië.