Van Swinderen

Geslachtswapen Van Swinderen (1817)

Van Swinderen (ook: Gerlacius van Swinderen en: De Marees van Swinderen) is een geslacht waarvan leden sinds 1817 tot de Nederlandse adel behoren.

Geschiedenis

De stamreeks begint met Johan van Swinderen die omstreeks 1554 werd geboren, vermoedelijk tingieter en koperslager was, in 1598 burger van Zutphen werd en daar in 1619 overleed. Telgen werden veelal jurist en speelden een rol in de provincie Groningen, op lokaal en nationaal niveau als bestuurders, en in de diplomatieke dienst. De familie verbond zich met vele andere Groningse bestuurdersfamilies en bewoonde verscheidene historische landhuizen.

Bij Koninklijk Besluit van 27 december 1817 werden twee leden van het geslacht verheven in de Nederlandse adel. In 1825 werd een telg benoemd in de Ridderschap van Friesland.

Bezittingen

De familie was verbonden aan enkele historische (land)huizen, waaronder Allersma, huis Driewegen te Nijmegen, Lemferdinge, Lunenburg, Lycklamabosch te Nijemirdum, Rensuma, huis Meerwijk (Midlaren), Huize Rijs en Wybrandastate. Via Anna Maria Trip (1712-1778) kwam het Groningse Feithhuis in het bezit van dit geslacht hetgeen het tot 1851 zou blijven. Daarnaast is de orgelbalustrade in de Kerk van Sondel voorzien van de vermelding Ter nagedachtenis van vrouwe Octavia Cornelia Suzanne van Swinderen. Weduwe van C. Star Numan.

Enkele telgen

Wicher van Swinderen (1688-1764), bestuurder en onder andere burgemeester van Groningen; trouwde in 1731 met Anna Maria Trip (1712-1778), stichter van een poppenhuis dat tot 2019 in de familie Van Swinderen bleef en in dat laatste jaar werd aangeboden op de TEFAF, verkocht voor € 1 miljoen aan de Martens-Mulder Stichting en in bruikleen afgestaan aan Rijksmuseum Twenthe