Vrijwoud is een middeleeuws juridisch begrip. Het woud vormde een onafhankelijke eenheid voor wat bestuur, administratie, rechtspraak en fiscaliteit aanging. Het stond onder toezicht van een grondheer met eigendomsrechten. Het ‘vrije’ sloeg op een vrijstelling van belastingen.
De jacht in vrijwouden was het exclusieve recht van de eigenaar. Stropers werden daarom bestraft.
Een mogelijk effect van het statuut van vrijwoud was dat het (vermoedelijk vanaf de 15de eeuw) ontbossing en beweiding aan banden legde, met een soort van bosbeheer. De bossen werden opgesplitst in tientallen afgebakende 'houwen'. In elke van die 'houwen' werd maar om de 20 jaar gekapt.
Om het statuut van vrijwoud in goede banen te leiden, werd in sommige gevallen (zoals het Zoniënwoud en het Meerdaalwoud) een wetboek – een zogenaamd ‘keurboek’ – opgesteld, met een daaraan gekoppeld woudgerecht. Niet alle vrijwouden hadden een woudgerecht. Dit keurboek was in de volkstaal opgesteld, en was bedoeld om wanbeheer door ongeschreven gebruiksrechten te bestrijden, bijvoorbeeld:
De vrijwoudadministratie kende verschillende functies:
In navolging van de Blijde Inkomst (1356), erkende Filips de Goede het Meerdaalwoud in 1406 als een van de vier Brabantse vrijwouden, naast het Zoniënwoud bij Brussel, het Grootenhoutbos bij Turnhout en het bos van Grooten-Heyst bij Nijvel. Deze opmerkelijke overeenkomst zal Brabant karakteriseren tot in de 18de eeuw. Het kreeg het statuut van hertogelijk vrijwoud in 1367. Anton van Croÿ verwierf het in 1442 en verenigde het met Heverleebos in 1446. Het Meerdaalwoud is ook sterk verbonden met de hertogen van Arenberg, die vanaf 1612 het bos exploiteerden en er hun jachtpartijen in organiseerden. In het geval van het Meerdaalwoud was een vrijstelling van belastingen, beden en karweien in feite reeds van kracht in 1284, toen Godfried van Brabant erfde van zijn vader.