
De waterschout was een ambt dat in 1641 werd ingesteld in Amsterdam en in de 19e eeuw landelijk werd ingevoerd. Hij was verantwoordelijk voor de ordehandhaving aan de waterkant van de stad en voor het toezicht op de scheepvaart en het monsteren van bemanningen. Van 1719 tot 1771 werd hij ‘baljuw van de zeezaken of het waterregt’ genoemd. In 1989 werd het ambt afgeschaft.
Het ambt van waterschout werd het eerst ingesteld in Amsterdam, naar aanleiding van het toegenomen scheepvaartverkeer en daarmee samenhangende conflicten. Ordehandhaving in de stad was van oudsher de verantwoordelijkheid van de schout, bijgestaan door vier substituut-schouten. In 1641 werd aan hen de waterschout toegevoegd voor alle maritieme zaken. Het doel was ‘om alle ongeregeldheden, tusschen schipper en schipper, mitsgaders schipper en bootsgezel, daer onder begrepen reders, bewinthebbers van de Oost- en West-Indische maatschappijen, des te beter te weeren, en voor te komen’. De waterschout en zijn assistenten waren bewapend, en bestreden niet alleen de criminaliteit maar controleerden ook de verkopingen van schepen en scheepsuitrustingen en de monstering van bemanningen. Ook mochten zij boetes uitdelen en mensen aanklagen bij het tegelijkertijd opgerichte College van Commissarissen van de Zeezaken. Ook in andere havenplaatsen werd het ambt van waterschout daarna ingesteld.

Het monsteren van scheepsvolk gebeurde door de kapitein van een schip via een ‘makelaar ter zeevaart’. Registratie vond plaats in de monsterrol. Hierop stonden de namen, leeftijden en woonplaatsen van alle bemanningsleden en hun arbeidsvoorwaarden vermeld. Ook de naam van het schip, de datum van monstering en de bestemmingen van het schip stonden er op. De monsterrol moest in aanwezigheid van de waterschout aan de bemanning worden voorgelezen en door iedereen ondertekend, en ook het uitbetalen van de gage en het ontslag na afloop van de reis moest in zijn bijzijn gebeuren. De VOC, en waarschijnlijk ook de WIC, vormden een uitzondering. Zij zorgden zelf voor het aan- en afmonsteren van hun bemanningen. Het toezicht op het monsteren bleef tot in de 20e eeuw de belangrijkste taak van de waterschout. Daaraan werd toegevoegd de controle op de bekwaamheid en minimale aantallen van de bemanningen, in verband met de veiligheid op zee. De taken in de ordehandhaving werden in de loop der tijd juist steeds verder verminderd.

In 1861 werd het ambt naar het landelijk niveau getild. Per Koninklijk besluit moest de monstering van bemanningen vanaf toen in alle havensteden plaatsvinden door een waterschout, en bij het ontbreken daarvan door een commissaris van politie of een burgemeester. Vanaf 1867 werden de waterschouten benoemd door de koning. In 1937 werd het zee-arbeidsrecht volledig herzien, en mochten de arbeidsvoorwaarden niet meer in de monsterrol worden opgenomen. Daarvoor in de plaats kwam een individueel monsterboekje, waarin ook diploma’s en medische gegevens van de zeeman werden vermeld.
Vanwege de teruglopende rol van Amsterdam in de scheepvaart besloot het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in 1972 om de functie van waterschout van Amsterdam bij die van Rotterdam onder te brengen. Op 1 juni 1989 werd de monsteringsprocedure aangepast. De monsterrol, die toen niet meer was dan een lijst met namen, moest voortaan worden opgemaakt door de kapitein. De monsterboekjes werden voortaan uitgegeven door de scheepvaartinspectie, en het ambt van waterschout werd afgeschaft.