

Een kolk, valput, wiel, weel, waal, waai of braak is een (diepe) poel, een klein type oppervlaktewater.
Langs rivier- en zeedijken zijn kolken de overblijfsels van dijkdoorbraken. Door het inbrekende water zijn diepe gaten ontstaan, tot wel 10 meter diep. De grond uit het gat werd achter de kolk afgezet, vaak zand. Deze afzetting wordt overslaggrond genoemd. Door de kracht van het water bij de dijkdoorbraak ontstaat gewoonlijk een diep gat. Later herstel van de dijk kan dan bezwaarlijk op het oude tracé geschieden. Gekozen wordt dan voor een nieuw dijkvak dat binnen- of buitendijks om de ontstane kolk wordt aangelegd. Wat daarna nog resteert zijn vaak diepe poelen. Men onderscheidt twee typen:
In het rivierengebied komen beide soorten veel voor. Dit maakt dat veel dijken een bochtig traject volgen.
Ten zuiden van de Westerschelde worden de doorbraakkolken valput genoemd, in Noord-Holland braak (voorbeeld: Moordenaarsbraak tussen Edam en Warder) en in het rivierengebied heten ze wiel, weel, waal of waai.
De samenstelling van het water binnen kolken verschilt van de samenstelling van zee- of rivierwater. Een kolk bevat minder chloride-ionen dan het buitenwater.
Een kolk kan in de Saksische brinkdorpen ook een gegraven poel voor drink- of bluswater zijn, zoals in de westelijke Veluwezoom waar bijvoorbeeld in Wageningen onder meer de Peppelderkolk en de Kolk van Leeuwen bewaard zijn gebleven. Een dergelijke kolk wordt ook wel dobbe genoemd.

Een molenkolk is een kunstmatige vijver bij een waterradmolen, stroomopwaarts om water te verzamelen en soms ook stroomafwaarts om het water tot rust te laten komen.